Systeemtherapie waaide in de jaren vijftig over vanuit de Verenigde Staten naar Nederland. Bij deze vorm van therapie wordt gekeken naar de interactiepatronen met de mensen om iemand heen, zoals ouders, broers en zussen, partners en vrienden. Als individu maak je immers deel uit van dat systeem en verhoud je je op een bepaalde manier tot anderen. Een systeem-therapeut kijkt naar de moeilijkheden die iemand ervaart in de relaties met anderen. Het uitgangspunt is dat problemen nooit op zichzelf staan, maar dat iemands naasten hierbij een belangrijke rol spelen. Inzicht in die problemen en de invloed daarvan op relaties kan helpen om problemen beter te begrijpen en patronen te doorbreken. Systeem- therapie is het specialisme van klinisch psycholoog en psychotherapeut Jan Baars. ‘Toen ik in de jaren tachtig aan het werk ging als systeemtherapeut had deze stroming veel meer impact dan nu’, vertelt Baars. ‘Dat komt mede door de ontwikkeling die de ggz de afgelopen decennia doormaakte: in de jaren negentig werd het brein een dominant concept waar alle mentale problemen aan werden gekoppeld. Omdat dit tot een steeds individuelere aanpak leidde, kwam de systeemtherapie helaas op een zijspoor terecht. In de jaren tachtig was het best gebruikelijk om als therapeut bijvoorbeeld ook broers en zussen te betrekken als een kind problemen had. Die zijn inmiddels ondergeschoven kindjes geworden, terwijl zij vaak belangrijke bronnen van informatie zijn voor wat er precies gaande is in een gezin. Zij voelen zich daardoor vaak ook buitengesloten.’
Jan Baars | ‘We zijn te aardig als beroepsgroep; durf eens wat vaker ongehoorzaam te zijn’
Meer aandacht voor het systeem rondom kinderen en jongeren helpt problemen sneller te ontrafelen. Maar hoe verschuif je de focus van het individu naar het systeem? We vroegen het klinisch psycholoog en psychotherapeut Jan Baars, specialist op het gebied van systeemtherapie.
In de jaren ’80 was aandacht voor systeem gebruikelijker
‘Ik denk dat dit onder andere te maken heeft met maatschappelijke factoren, waaronder de overtrokken ideeën over de autonomie en zelfstandigheid van kinderen en jongeren. Het brein van kinderen en jongeren is complex, maar ondertussen blijven we zeggen dat ze van alles zelf moeten kunnen. Wie heeft dat verzonnen? Ja, ook ik voel mij zelfstandig. Maar in sommige dingen ben ik dat helemaal niet. Ik heb anderen nodig. Zo ben ik een beetje een digibeet, dus vind ik het fijn als anderen me daarbij helpen. Dat geldt natuurlijk ook voor kinderen en jongeren. Het is af en toe echt schokkend om te zien wat er gebeurt door die enorme drang naar autonomie en zelfstandigheid.’
‘Zeker. Ik denk aan een jongen van een jaar

