Door betere medische zorg bereiken steeds meer adolescenten met ernstige meervoudige beperkingen (EMB) de volwassenheid. Op hun achttiende moeten zij overstappen naar zorg voor volwassenen, wat families veel stress bezorgt. Ilse Ooms doet onderzoek naar dit complexe transitieproces.
Ouders van adolescenten met ernstige meervoudige beperkingen (EMB) kennen de weg in het kinderzorglandschap vaak maar al te goed. Hun kind heeft meerdere complexe aandoeningen, naast gedragsproblematiek of psychiatrische problemen en communicatieve beperkingen (Nakken & Vlaskamp, 2007). Ouders hebben jarenlang zorgvuldig gebouwd aan een netwerk van zorgprofessionals om hun kind heen en weten precies wie ze moeten bellen bij bepaalde problemen. Zoals de neuroloog voor de epilepsie en de orthopeed in verband met scoliose. Denk ook aan de groepsleiding op school of dagbesteding of logeeropvang, orthopedagogen bij gedragsproblematiek en fysiotherapeuten en ergotherapeuten voor een nieuwe orthese in de rolstoel. Als de adolescent achttien jaar wordt, verandert er veel, zowel qua zorg, als op het gebied van dagbesteding, financiën en wonen. Regelmatig valt het zorgvuldig opgebouwde kaartenhuis ineen. Soms willen ouders de kinderzorg zelfs helemaal niet verlaten en vragen zij hun kinderarts of zij niet ‘gewoon op de kinderpoli’ mogen blijven komen.
We spreken van transitiezorg als de overgang naar volwassenenzorg wordt voorbereid en begeleid en als de adolescent een ‘zachte landing’ in volwassenenzorg krijgt (Van Staa et al., 2020). In dit artikel beschrijven we de complexe situatie waarin adolescenten met EMB en hun families zich bevinden en hoe dit promotieonderzoek aan de Hogeschool Rotterdam onder de noemer ‘Niet loslaten, maar anders vasthouden’ een bijdrage wil leveren aan verbeterde transitiezorg.
Hot issue
Zorgprofessionals rapporteren handelingsverlegenheid als het om transitiezorg gaat. Professionals in kinderzorg blijven adolescenten soms noodgedwongen (en onbekostigd) op de kinderpoli zien, omdat er geen professionals in volwassenenzorg te vinden zijn die voor deze bijzondere volwassenen met EMB willen of kunnen zorgen. Zorgprofessionals in volwassenenzorg merken dat de zorg op hun afdeling niet is ingericht op adolescenten met EMB.
Een voorbeeld: een adolescent met een ontwikkelingsleeftijd van twee jaar met zelfverwondend gedrag en angst krijgt in de kinder- en jeugdpsychiatrie een behandeling gericht op prikkelregulatie, ouderparticipatie, gegeven door vertrouwde, vaste behandelaren. In de volwassenenpsychiatrie begint een behandeling die meer individueel gericht is, minder ouderparticipatie kent en door wisselende behandelaren. Dit zorgt voor meer stress en gevoelens van onveiligheid en leidt tot agitatie, onbegrepen gedrag en zelfverwonding bij de adolescent. Zowel voor de adolescent als diens ouders, maar ook voor medepatiënten en zorgprofessionals is dit onwenselijk en belemmert dit continuïteit van zorg.
Meestal is transitiezorg erop gericht de adolescent voor te bereiden op zelfstandigheid en het omgaan met de aandoening. Bijvoorbeeld: zelf in gesprek met je zorgprofessional gaan, voor je medicatie

