Hoog risico op depressie voor kind met ouders met depressie

In haar proefschrift 'Breaking the cycle? Intergenerational transmission of depression/anxiety and opportunities for intervention' onderzoekt Petra Havinga (UMCG) onder meer in hoeverre kinderen van depressieve of angstige patiënten kans hebben om zelf ook deze psychische aandoeningen te ontwikkelen.

Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
641947764
Istock/Picscout/Springer

Dit deed Havinga aan de hand van de ARIADNE studie. Deze studie heeft jongeren langere tijd gevolgd die een ouder hebben die behandeld is binnen de geestelijke gezondheidszorg voor een depressie of angststoornis.

Hoog risico groepen

Uit het onderzoek blijkt dat deze kinderen een aanzienlijke kans hebben om zelf ook soortgelijke problemen te krijgen. Op 20-jarige leeftijd bleek naar schatting 38 procent van deze groep kinderen al problemen te hebben, en op 35-jarige leeftijd was dit opgelopen naar 65 procent. Vaak ontstaan de problemen tijdens de adolescentie of jongvolwassenheid, en uit eerder onderzoek weten we dat dit grote impact kan hebben op de rest van het leven. De meeste kinderen zochten uiteindelijk wel hulp, maar een deel van hen wachtte daar lang mee. Havinga noemt de perecentages zorgwekkend hoog.

Daarnaast onderscheidde Havinga drie groepen met een extra hoog risico op het ontwikkelen van een van deze psychische klachten: meisjes en jonge vrouwen, kinderen met een ouder bij wie depressie of angst voor het twintigste levensjaar is ontstaan en kinderen die zijn opgegroeid in een gezin waarin beide ouders een depressie hebben of angstig zijn.

Gerichte preventie

Havinga onderzocht ook of gerichte preventie aan de gezinnen en/of kinderen dit effect kon verminderen. De overdracht van de stoornissen van ouder op kind bleek niet geheel te voorkomen, maar het lijkt niet onmogelijk de kans hierop te verkleinen door tijdig ingrijpen.

Aandacht voor kinderen en ouderschap zou een standaard onderdeel moeten zijn van de dagelijkse behandelpraktijk binnen de geestelijke gezondheidszorg, adviseert Havinga. “We zien dat ouders met psychische problemen terughoudend kunnen zijn in het vragen van ondersteuning bij de opvoeding en hulp voor hun kind. Schaamte, angst voor stigma of voor verlies van ouderlijk gezag kunnen dit veroorzaken. Actief aandacht hebben voor deze thema’s kan helpen om stigma en schaamte bij de ouder verminderen.”

Bovendien kan een goed functionerende gezinsomgeving het risico op het ontwikkelen van problemen juist verminderen. Havinga: “In mijn onderzoek waren dat gezinnen die zich goed kunnen aanpassen aan veranderingen, zoals de ziekte van een van de kinderen, een verhuizing of werkloosheid, en gezinnen waarin de gezinsleden zich onderling betrokken bij elkaar voelen, terwijl er tegelijkertijd ook ruimte is voor het individu.”

Vroege signalering

Ze benadrukt dat mogelijke problemen bij deze kwetsbare groep kinderen vroeg moeten worden gesignaleerd, om het ontstaan van psychische klachten te kunnen voorkomen of de ernst ervan te verminderen. Met de resultaten van haar proefschrift hoopt Havinga aanknopingspunten te geven om de cirkel in de toekomst te doorbreken.

Datum promotie: 10 februari 2020, Aula Academiegebouw Rijksuniversiteit Groningen. Promotor: prof.dr. R.A. Schoevers en dr. C.A. Hartman

Curriculum Vitae

Petra Havinga (1986) studeerde Pedagogische wetenschappen aan de Rijksuniversiteit Groningen en de Universiteit Utrecht. Tijdens haar promotieonderzoek was zij verbonden aan de afdeling Psychiatrie en het onderzoeksinstituut SHARE van het Universitair Medisch Centrum Groningen. Inmiddels is zij werkzaam als onderzoeker bij de Hanzehogeschool Groningen. De titel van haar proefschrift luidt: “Breaking the cycle? Intergenerational transmission of depression/anxiety and opportunities for intervention”.