Soms hoef je niet alles te kunnen verstaan om een ander te vinden. Verdriet klinkt universeel, en angst heeft geen ondertiteling nodig.
Ze komt de kamer binnen, haar blik naar beneden gericht. Haar vingers plukken aan de rand van haar mouw, haar passen zijn voorzichtig, alsof ze niet te veel geluid wil maken. Haar hoofddoek zit keurig gevouwen om haar gezicht. Ze kijkt niet direct op, maar haar ogen scannen de ruimte. Alsof ze wil weten of dit een veilige plek is.
Ik groet haar, langzaam en duidelijk, in het Nederlands. Ze knikt. Ik vraag of ze wat wil drinken. Haar lippen vormen geluidloze woorden, voordat ze zacht antwoordt. Haar Nederlands is aarzelend, maar ze probeert het. Ik glimlach bemoedigend. Ze gaat zitten en laat haar blik door de kamer glijden. Dan blijft ze hangen bij mijn boekenkast: de Koran. Ze kijkt me aan. Voor het eerst echt. Een fractie van een seconde, maar het is er. Herkenning. Ik zeg haar naam opnieuw, dit keer in het Arabisch, in de melodie die zij kent. Ze reageert meteen. Een fonkeling van opluchting in haar ogen.
“Jij Arabisch?” vraagt ze voorzichtig.
“Ja, maar niet hetzelfde als jij,” zeg ik glimlachend. “Ik spreek Marokkaans Arabisch.” Ze knikt. Haar gezicht ontspant iets, maar de afstand is nog niet helemaal overbrugd. We beginnen in het Nederlands. Korte zinnen. Eenvoudige woorden. Als ze haar gevoelens wil beschrijven, stokt het. Haar handen maken gebaren in de lucht, haar ogen zoeken naar de juiste woorden, maar die lijken buiten bereik.
Ik vraag haar te vertellen in haar eigen taal. Een stroom van woorden, snel en vloeiend, als water dat eindelijk zijn weg vindt na een lange droogte. Ik volg haar met mijn oren en mijn hart. Ik versta niet alles, maar genoeg. De klanken zijn anders dan het Arabisch dat ik ken, maar de betekenis sijpelt door. Verdriet klinkt universeel. Angst heeft geen ondertiteling nodig. Af en toe vul ik een zin aan, zoekend naar woorden die we beiden begrijpen. Soms begrijp ik haar niet, dan lach ik even verontschuldigend. Ze lacht terug. We zoeken, we vinden.
En dan gebeurt er iets. Ze leunt iets naar voren. Haar schouders, eerst strak opgetrokken, zakken iets omlaag. Haar stem wordt zekerder. Het Nederlands glijdt weg en het Arabisch vult de ruimte, vermengd met een paar Nederlandse woorden. Onze talen dansen, botsen, en vinden een middenweg. Dan valt er een korte stilte. Ze kijkt me aan. Echt deze keer, niet vluchtig of voorzichtig, maar met een oprechte blik.
“Jij begrijp,” zegt ze langzaam. Niet als vraag, maar als constatering.
Ik knik. “Ik begrijp.”
Ze zucht, een lange, diepe ademhaling. Alsof ze iets van zich af laat glijden dat ze al te lang met zich meedroeg. Vanaf dat moment verandert er iets. Ze durft langer te spreken, zoekt minder naar woorden. Er is nog een taalbarrière, ja. Maar er is iets sterkers dan taal in deze kamer. Er is herkenning. Soms is dat alles wat iemand nodig heeft… Een plek waar ze niet alles hoeft uit te leggen, niet hoeft te vechten voor de juiste woorden. Waar ze gewoon mag zijn.

