Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties1

Jonge kinderen en beeldschermen

Avatar
Prof. dr. Peter Nikken
Het kan, zolang de balans in orde is | Dat een grote groep jonge kinderen meer tijd doorbrengt achter een beeldscherm dan richtlijnen voorschrijven, hoeft geen probleem te zijn. Tenzij ze daarnaast te weinig tijd besteden aan beweging, zowel binnen als buiten, of te weinig slaap krijgen. In dat geval vormen opvoed- en ontwikkelingsproblemen een serieus risico.
Premium

 

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12454-021-0635-y/MediaObjects/12454_2021_635_Fig1_HTML.jpg
De foto bij dit artikel is illustratief. De afgebeelde persoon is niet dezelfde als die in het artikel.
Foto: Aleid Denier van der Gon

Van tv’s, mobieltjes, laptops, tablets, e-readers tot vaak ook nog meerdere gameconsoles: een gemiddeld huishouden beschikt algauw over een dozijn beeldschermen. Door de opkomst van al die technologieën de afgelopen decennia besteden ook peuters en kleuters steeds meer tijd aan digitale media (Nikken, 2019). Organisaties als de WHO en Amerikaanse kinderartsen (AAP) hebben daarom recentelijk richtlijnen opgesteld voor een gezonde balans tussen enerzijds mediagebruik, dat vaak gepaard gaat met stilzitten, en anderzijds slapen en beweging, liefst in de buitenlucht (AAP 2016; WHO 2019). Voor kinderen tot twee jaar wordt bijvoorbeeld geadviseerd het beeldschermgebruik zo veel mogelijk te beperken, terwijl voor kinderen tot vijf jaar één uur beeldschermgebruik per dag als voldoende wordt beschouwd. Kinderen tot circa twaalf jaar zouden hun schermtijd moeten beperken tot maximaal twee uur per dag. Daartegenover staan ook normen voor hoe lang kinderen per dag minimaal beweging zouden moeten hebben (Gezondheidsraad, 2017) en wat per leeftijd gezonde slaaptijden zijn (National Sleep Foundation, 2015) (zie tabel 1).

Tabel 1

Minimum aantal minuten slaap en dagelijkse beweging en maximaal aantal minuten beeldscherm gebruik per dag voor kinderen van 0 tot en met 6 jaar.
Beeldschermgebruik
Buiten bewegen
Slapen
0 jaar
0
60
660
1 jaar
0
60
660
2 jaar
0
60
660
3 jaar
60
60
600
4 jaar
60
60
600
5 jaar
60
60
600
6 jaar
120
60
540
Bewust nadenken over beeldschermgebruik en slapen en bewegen bij jonge kinderen is belangrijk, omdat een disbalans gepaard kan gaan met negatieve invloeden op de fysieke en sociaal-emotionele ontwikkeling. Er zijn bijvoorbeeld verbanden vastgesteld tussen overmatig mediagebruik bij kinderen en problemen met slaapkwaliteit en -kwantiteit, met gezondheidsproblemen waaronder overgewicht, rug- en nekklachten of bijziendheid, en met antisociaal gedrag, aandachtsproblemen/ADHD en een langzamere taalontwikkeling (Bozzola e.a., 2018; Jordan, 2019; Nathanson & Beyens, 2018). Ook heeft onderzoek aangetoond dat beweging belangrijk is voor bijvoorbeeld de cognitieve ontwikkeling en algehele mentale en fysieke gezondheid (Tomporowski e.a., 2015). Verder hebben mediareductie-interventies die bijdragen aan een betere balans tussen beeldschermgebruik en slapen en bewegen of sociaal contact laten zien dat problemen bij het opgroeien daardoor tegengegaan kunnen worden (Bickham e.a., 2018).
Ouders zetten smartphone en tablet geregeld in als oppas
In de praktijk blijkt dat veel ouders hun kinderen langer tv laten kijken of gamen dan volgens de normen per dag goed zou zijn. Een van de redenen waarom ouders hun kinderen tegenwoordig makkelijk gebruik laten maken van media is dat zij het een hele opgave vinden om het huishouden te laten reilen en zeilen en tegelijkertijd hun jonge kinderen op te voeden. Onder normale omstandigheden zetten al best veel ouders regelmatig de smartphone, tablet of traditionele dvd in als babysitter, om in die tijd huishoudelijke taken uit te kunnen voeren of om het kind tot rust te laten komen, het bord te laten leeg eten of in slaap te laten vallen (Nikken, 2018). En waarschijnlijk hebben zelfs nog meer ouders tijdens de recente lockdown media ingezet als oppas, omdat kinderen niet naar school of de opvang konden en ouders thuis moesten werken. Volgens het onderzoek zetten ouders media-apparaten vooral vaker in als hulp bij het opvoeden als ze minder vertrouwen hebben in hun eigen opvoedvaardigheden, of als ze er in de opvoeding alleen voor staan, bijvoorbeeld omdat ze alleenstaand zijn of de steun van hun partner in de opvoeding missen. Ook bij kinderen bij wie de opvoeding lastiger verloopt vanwege ontwikkelingsproblemen bieden media vaak een uitkomst voor de ouders.
Studies waarin de samenhang tussen mediagebruik en problemen in de ontwikkeling van kinderen is onderzocht, hebben veelal oudere kinderen of (pre)adolescenten als focus. Relatief weinig studies hebben tot nu toe gekeken naar de relatie tussen gezond opgroeien en mediagebruik bij heel jonge kinderen. Gegeven het feit dat peuters en kleuters tegenwoordig ook al heel wat tijd achter beeldschermen doorbrengen, zou een disbalans tussen schermtijd en andere activiteiten bij hen ook al tot problemen in de ontwikkeling kunnen leiden. Het huidige onderzoek kijkt daarom bij een ruime steekproef van ouders met jonge kinderen tot zes jaar oud in hoeverre de tijd die hun kinderen aan beeldscherm- en aan non-beeldschermactiviteiten besteden, samenhangt met verschillende problemen in de ontwikkeling van de kinderen. De aanname volgens het balansmodel (Van Rooij & Kleinjan, 2020) is daarbij dat hoe meer tijd kinderen besteden aan beeldschermen ten opzichte van non-media-activiteiten, hoe meer problemen deze kinderen hebben in hun ontwikkeling. Bij een betere balans tussen beeldscherm- en non-beeldschermactiviteiten zouden weinig ontwikkelingsproblemen moeten spelen. Dus zelfs kinderen die veel bezig zijn met media, zouden weinig problemen kunnen hebben als ze ook veel tijd besteden aan bijvoorbeeld slapen of aan actief bezig zijn en contacten met anderen hebben. De ervaringen die kinderen opdoen via die andere activiteiten zouden dan voldoende kunnen compenseren voor de mogelijk negatieve invloeden van de media. Tegelijk kijkt dit onderzoek naar de samenhang met de opvoeding door ouders daarbij.

Een landelijke online enquête

In het voorjaar van 2020, nog net voordat Nederland te maken kreeg met de eerste lockdown, heeft een gespecialiseerd marketingbureau een online enquête uitgezet onder de beoogde doelgroep. Van de 1.010 ouders die de vragenlijst hebben ingevuld bleken sommige ouders (n = 55) echter geen gegevens te hebben ingevuld over hoe lang hun kind media gebruikt en had één ouder aangegeven twaalf jaar oud te zijn. De uiteindelijke dataset bestond daardoor uit 954 ouders met ten minste een kind tussen 0 en 6 jaar (gemiddelde leeftijd 4,1 jaar). Deze ouders hebben iets vaker gerapporteerd over zonen (54,5 procent) dan over dochters, meer moeders dan vaders vulden de enquête in (70,5 procent) en de respondenten waren gemiddeld 35,5 jaar oud. Een klein deel van de ouders (11,3 procent) was alleenstaand. Tot slot was 41,1 procent van hen laag opgeleid (lagere school tot mbo), 32,8 procent gemiddeld (havo tot hbo-bachelor) en 26,1 procent was hoog opgeleid (vwo-universiteit).
Om een beeld te krijgen van het mediagebruik rapporteerden ouders de tijd die hun kind de dag voor deelname aan het onderzoek had besteed aan vier verschillende beeldschermactiviteiten: 1) kijken naar tv, video on demand (VOD) en YouTube inclusief YT-Kids, 2) luisteren naar digitale voorleesverhalen en muziek, 3) videospelletjes spelen, en 4) digitaal communiceren (filmpjes/foto’s maken en delen, telefoneren en videobellen). Daarnaast rapporteerden de ouders ook hoeveel tijd hun kind de vorige dag had besteed aan drie non-beeldschermactiviteiten: 1) buiten actief bezig zijn met ouders, leeftijdgenootjes, of alleen (zoals spelen, georganiseerd sporten of onderweg zijn); 2) binnen bezig zijn met ouders, leeftijdgenootjes, of alleen (zoals spelen, of (voor)lezen van printmedia); en 3) slapen.
Vader en moeders schatten mediagebruik verschillend in
Alle rapportages zijn vastgelegd in minuten, waarbij de tijd voor een activiteit met of zonder beeldscherm als 0 is gescoord wanneer de kinderen die activiteit niet deden. Ook zijn extreem hoge rapportages (outliers) gecorrigeerd door deze af te kappen volgens de daarvoor geldende statistische voorwaarden. Het percentage outliers voor beeldschermgebruik varieerde van 1,0 procent (tv-kijken) tot 4,3 procent (VOD kijken). Het percentage outliers bij non-beeldscherm activiteiten varieerde van 1.5 procent (slapen) tot 4,8 procent (binnen bezig zijn).
De mate waarin ouders ontwikkelingsproblemen bij hun kind tegenkwamen, is vastgesteld door twintig potentiële problemen die in de opvoeding kunnen voorkomen aan de ouders voor te leggen met de vraag in hoeverre zij die bij hun kind herkennen. De antwoordopties bij elk potentieel probleem op een vierpuntsschaal was: ‘nooit’, ‘heel soms’, ‘best regelmatig’ en ‘heel vaak’. De items hadden betrekking op vijf verschillende ontwikkelingsproblemen: 1) eetproblemen (2 items; eet niet alles op wat u voor hem of haar klaarmaakt, is erg kieskeurig in wat hij of zij lekker vindt), 2) gedragsproblemen (5 items; vertoont regelmatig opstandig gedrag, heeft last van driftbuien, is vaak druk, is vaak brutaal, houdt zich niet aan regels), 3) slaapproblemen (3 items; heeft last van bedplassen, slaapt niet goed door, gaat niet op tijd slapen), 4) emotionele problemen (4 items; is eenkennig, is angstig, is erg gesloten, heeft het niet naar zijn zin), en 5) gezondheidsproblemen (6 items; heeft last van overgewicht, is niet gezond, heeft moeite met hygiëne (wassen, tanden poetsen), heeft onvoldoende beweging, heeft moeite met zien, heeft moeite met goed horen).
Problemen met eten kwamen relatief veel voor. Ongeveer 9 procent van de ouders gaf aan regelmatig tot heel vaak eetproblemen te ervaren, terwijl maar 32 procent dit nooit meemaakte bij hun kind. Problemen met gedrag, slapen, emoties of gezondheid kwamen daarentegen relatief weinig voor. De overgrote meerderheid van de respondenten (68 tot 85 procent) rapporteerden dat hun kind deze problemen ‘nooit’ had. Een klein, maar niet onbetekenend, deel van de ouders (3 tot 7 procent) had deze problemen daarentegen regelmatig of heel vaak.
De wijze waarop ouders hun opvoedsituatie, tot slot, ervoeren is op twee manieren vastgesteld. Als eerste gaven ouders via 14 stellingen aan in hoeverre zij steun van hun (ex-)partner bij de dagelijkse opvoeding kregen.Deze stellingen zijn deels gebaseerd op de SPARK (Structured Problem Analysis of Raising Kids, voorheen Vragenlijst Onvervulde Behoefte aan Opvoedingsondersteuning VOBO), en deels speciaal voor dit onderzoek geconstrueerd. Daarmee kon zowel steun bij de opvoeding in het algemeen als steun bij de mediaopvoeding gemeten worden. In aanvulling op de steun van de partner rapporteerden de ouders ook via twaalf stellingen die overgenomen waren van de Nijmeegse Ouderlijke Stress Index (NOSI) hoe onzeker zij zichzelf in de dagelijkse opvoeding vonden. Statistische analyses wezen uit dat de stellingen van beide meetinstrumenten een goede indicatie gaven van de partnersteun die ouders bij het opvoeden kregen en van de mate waarin ouders opvoedonzekerheid vertoonden. De ouders scoorden op een schaal van 1 tot 5 gemiddeld een 3,8 voor partnersteun en een 2,4 voor opvoedonzekerheid. Een kleine 10 procent van de ouders was dus uitdrukkelijk negatief over de steun van hun (ex-)partner, terwijl een groter deel van de ouders (bijna 20 procent) had aangegeven dat ze eerder onzeker dan zeker van hun opvoedingsvaardigheden waren.

Resultaten

Volgens de rapportage van de ouders besteedden jonge kinderen per dag gemiddeld bijna anderhalf uur aan verschillende beeldschermen (zie tabel 2), waarbij het vooral ging om passief gebruik; dat wil zeggen kijken naar tv-programma’s, VOD of YouTube-filmpjes. Het luisteren naar digitale verhalen of muziek nam aanzienlijk minder tijd in beslag (slechts ca. 5 minuten), terwijl jonge kinderen per dag daarnaast bijna 12 minuten bezig waren met interactief beeldschermgebruik voor gamen of communiceren.

Tabel 2

Gemiddeld aantal minuten dat kinderen besteden aan beeldscherm- en aan non-beeldscherm activiteiten
Gem. tijd (min/dag)
Minimumscore
Maximumscore
Beeldschermgebruik totaal
85,80
0
415
passief beeldschermgebruik totaal
74,28
0
324
– tv-kijken
27,99
0
123
– video on demand kijken
20,63
0
109
– YouTube kijken
20,35
0
95
– luisteren (verhalen, muziek)
5,32
0
61
interactief beeldschermgebruik totaal
11,52
0
115
– gamen
6,79
0
65
– communiceren (foto/film, videobellen)
4,73
0
50
Niet-beeldschermgebruik totaal
1.087,47
420
1.916
activiteiten binnenshuis totaal
201,49
0
570
– binnenspelen
178,04
0
480
– (print)media (voor)lezen
23,45
0
90
activiteiten buitenshuis totaal
88,57
0
360
– buitenspelen
63,49
0
240
– onderweg zijn
20,50
0
100
– georganiseerd sporten
4,58
0
60
Slapen
683,02
360
960
Op zich lijkt anderhalf uur beeldschermgebruik per dag voor kinderen tot zes jaar best veel en ligt het boven de internationale norm die kinderartsen voorschrijven. In vergelijking met andere activiteiten valt het mediagebruik echter ook wel weer mee. Aan slapen en binnen bezig zijn besteedden kinderen per dag gemiddeld veel meer tijd: respectievelijk zo’n 11,5 en 3 uur, terwijl kinderen daarnaast buiten ook nog eens bijna anderhalf uur bezig waren. In absolute zin komt beeldschermgebruik dus pas op de vierde plaats na slapen, binnen spelen en buiten zijn.

Verschillen tussen kinderen

De tijd die kinderen per dag met beeldscherm- en non-beeldschermactiviteiten bezig waren, varieert vooral met de leeftijd van de kinderen (zie figuur 1). Hoe ouder de kinderen, hoe meer tijd ze besteedden aan tv-kijken, VOD en YouTube. Daarnaast besteedden oudere kinderen meer tijd aan videospelletjes dan jongere kinderen. Jongere kinderen luisterden daarentegen langer naar digitale verhaaltjes en muziek dan oudere kinderen, terwijl alle kinderen ongeveer even weinig tijd besteedden aan digitaal communiceren. Ten opzichte van de gangbare adviezen van kinderartsen ten aanzien van mediagebruik, besteedden kinderen van bijna alle leeftijden ‘teveel’ tijd aan media. Kinderen van nul jaar zitten gemiddeld een half uur per dag boven de norm van ‘beter geen media’, terwijl kinderen van twee tot zes jaar ongeveer 20 tot 45 minuten meer bezig zijn met beeldschermen dan ‘één uur’, wat goed zou zijn.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12454-021-0635-y/MediaObjects/12454_2021_635_Fig2_HTML.jpg

Figuur 1

Hoeveelheid tijd die kinderen dagelijks besteden aan beeldschermen en non-beeldscherm-activiteiten per leeftijdscategorie.
Jongere en oudere kinderen verschillen ook van elkaar in de mate waarin ze tijd besteedden aan non-beeldschermactiviteiten. Oudere kinderen sliepen bijvoorbeeld minder lang dan jongere kinderen. Bijna 7 procent van de zesjarigen sliep mogelijk zelfs te kort volgens internationale slaapnormen (National Sleep Foundation, 2015), dat wil zeggen minder dan 540 minuten per dag, terwijl bijna 21 procent van de drie- tot en met vijfjarigen en 17 procent van de nul- tot en met tweejarigen korter sliep dan aanbevolen (respectievelijk 600 minuten en 660 minuten per dag).
Daarnaast brachten jongere kinderen meer tijd binnenshuis door dan oudere kinderen, terwijl oudere kinderen daarentegen langer dan jongere kinderen buiten bezig waren. Overigens voldeden lang niet alle kinderen aan de norm van een uur gezond buiten bewegen per dag (Gezondheidsraad, 2017). Van de nul- tot tweejarigen was 45 procent korter dan 1 uur per dag buiten bezig, terwijl dat bij de drie- tot en met zesjarigen 33 procent was. Kinderen besteedden waarschijnlijk ook wel tijd aan activiteiten die in dit onderzoek niet gemeten zijn, zoals naar school of de opvang gaan of persoonlijke hygiëne en eten. Bij elkaar omvatten zulke activiteiten ook nog eens 5 à 6 uur per dag.
Jongens en meisjes, tot slot, verschilden niet van elkaar in de tijd die ze volgens hun ouders aan verschillende activiteiten besteedden, behalve aan slapen. Jongens sliepen volgens hun ouders per dag gemiddeld iets langer (circa 20 minuten) dan meisjes.

Verschillen tussen ouders

Vaders en moeders verschilden significant van elkaar in hoe zij de tijd die hun kinderen besteedden aan beeldscherm- en non-beeldschermactiviteiten inschatten. Vaders rapporteerden meer tijd voor kijken, videospelletjes spelen, luisteren en communiceren dan moeders. Tegelijk schatten vaders de tijd die hun kinderen aan binnen bezig zijn ongeveer drie kwartier korter in dan moeders. Tussen alleenstaande ouders en ouders die samen opvoeden waren geen verschillen voor het rapporteren van binnen en buiten bezig zijn of voor mediagebruik, maar wel voor slaap; alleenstaande ouders meldden dat hun kind ongeveer 40 minuten korter slaapt. Hoogopgeleide ouders schatten de tijd die hun kind besteedt aan passief mediagebruik gemiddeld een kwartier korter dan laagopgeleide ouders. Voor binnen en buiten bezig zijn of slapen waren er echter geen verschillen tussen hoger- en lageropgeleide ouders. Ouders die minder zeker over hun opvoedvaardigheden zijn, tot slot, gaven aan dat hun kinderen duidelijk meer tijd besteden aan bijna alle media-activiteiten, en minder tijd aan slapen en aan activiteiten binnenshuis. Ouders die minder steun van hun partner ervoeren rapporteren eveneens dat hun kinderen korter slapen of minder lang binnenshuis bezig zijn.

Beeldscherm- en non-beeldschermactiviteiten en problemen in de ontwikkeling

Volgens correlaties hingen de tijden die jonge kinderen doorbrengen met slaap, binnen of buiten bezig zijn en met media significant samen met de aanwezigheid van alle problemen in de ontwikkeling. Kinderen die korter sliepen en minder lang per dag binnenshuis bezig waren, hadden meer kans op alle problemen in de ontwikkeling. Tegelijk kwamen alle problemen ook vaker voor bij kinderen die meer tijd besteedden aan beeldschermactiviteiten, met uitzondering van tv-kijken. Dat zou er dus op kunnen wijzen dat een disbalans tussen beeldschermgebruik en non-beeldschermactiviteiten ongunstig is voor een gezonde ontwikkeling op jonge leeftijd.
Om meer zicht te krijgen op hoe mediagebruik en non-beeldschermactiviteiten tegelijk op kindniveau samenhangen met problemen in de ontwikkeling is voor elke kind een profiel opgemaakt dat aangeeft of kinderen 1) meer of minder media gebruiken dan de WHO en kinderartsen (internationaal) adviseren, 2) korter of langer slapen dan de gangbare slaapadviezen voor hun leeftijd, en 3) langer of korter buiten bezig zijn dan de beweegrichtlijn adviseert. Deze profilering op drie tijdsnormen resulteerde in vijf typische groepen: a) ongeveer een kwart van de kinderen (26 procent) die voldeed aan alle drie de normen, b) 31 procent van de kinderen die alleen teveel media per dag gebruikte, c) een groep van 17 procent van de kinderen die niet te veel tijd aan media besteedden, maar wel te weinig slaap kregen en/of te weinig beweging, d) 21 procent van de kinderen die teveel tijd aan media besteedde en daarnaast ook te kort sliep of te weinig buiten bezig was en e) een heel klein deel van de kinderen (6 procent), tot slot, dat voldeed aan geen enkele norm; die kinderen besteedden te veel tijd aan media, sliepen te kort en kwamen te weinig buiten.

Figuur 2 visualiseert hoe deze vijf groepen kinderen zich ten opzichte van elkaar verhouden volgens een zogenoemde discriminantenanalyse, waarbij ook rekening gehouden is met de achtergrondkenmerken van het gezin en de kinderen. Volgens die analyse zijn de verschillen tussen de groepen kinderen het best te karakteriseren door twee sets kenmerken, namelijk 1) de aanwezigheid van opvoedonzekerheid bij de ouder en de aanwezigheid van slaapproblemen, gezondheidsproblemen en emotionele problemen bij het kind, en 2) de aanwezigheid van partnersteun. Andere kenmerken van de ouders of de kinderen, zoals alleenstaand ouderschap, opleiding of de leeftijd van de kinderen en eventuele aanwezigheid van eet- of gedragsproblemen droegen niet bij aan de typering.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12454-021-0635-y/MediaObjects/12454_2021_635_Fig3_HTML.jpg

Figuur 2

De posities van vijf groepen kinderen die wel of niet voldoen aan normen voor beeldschermgebruik, buiten bezig zijn, en slapen ten opzichte van twee discriminerende karakteristieken.
Disbalans pakt ongunstig uit voor de ontwikkeling

Ten opzichte van de twee sets kenmerken die respectievelijk de horizontale en de verticale as van figuur 2 vormen, zijn de vijf groepen kinderen als volgt te definiëren:

a. Kinderen die aan alle normen voldeden, hadden het minst problemen met slapen, gezondheid en emoties en hun ouders hadden het minst last van opvoedonzekerheid.

b. Kinderen die voldoende sliepen en voldoende buiten bezig waren, maar meer tijd besteedden aan media dan goed zou zijn, hadden ouders die duidelijk steun van hun partner ervoeren. Bovendien was er weinig sprake van onzekerheid bij de ouders of van problemen met slapen, gezondheid en emoties bij de kinderen.

c. Kinderen die niet te veel media gebruikten, maar wel te weinig sliepen en of te weinig beweging hadden, hadden nauwelijks problemen in hun ontwikkeling. Daarnaast waren hun ouders niet heel erg onzeker, maar misten zij wel de steun van een partner.

d. Kinderen die of te weinig sliepen of te weinig buiten waren en daarnaast teveel media gebruikten, waren vergelijkbaar met de tweede groep, behalve dat hun ouders iets onzekerder waren over de opvoeding en dat deze kinderen wat meer kans op problemen met de gezondheid, emoties of slapen hadden.

e. Kinderen die aan geen enkele norm voldeden, hadden het vaakst problemen met slapen, emoties en met hun gezondheid. Hun ouders waren daarnaast het meest onzeker over de opvoeding en ervoeren ook weinig steun van een partner in de opvoeding.

Conclusies

De data die in het voorjaar van 2020, voordat de maatregelen rond de coronapandemie ingingen, bij ouders met kinderen tussen nul en zes jaar zijn opgehaald, geven een interessant beeld van de rol die beeldschermen voor deze kinderen spelen en hoe het gebruik daarvan in relatie tot non-beeldschermactiviteiten samenhangt met problemen in het opgroeien en bij het opvoeden. We kunnen de volgende conclusies trekken.
In absolute zin besteden jonge kinderen per 24 uur gemiddeld aardig wat tijd aan beeldschermen, waarbij voor de meeste kinderen geldt dat ze daar per dag meer tijd aan besteden dan internationale tijdsnormen van kinderartsen (AAP, 2016; WHO, 2019) voorschrijven. In relatieve zin valt hier tegen in te brengen dat kinderen gemiddeld veel meer tijd doorbrengen met slapen en binnen bezig zijn zonder beeldschermen, en daarnaast ook even lang buiten bezig zijn als dat ze beeldschermen gebruiken. Bovendien hebben deze kinderen waarschijnlijk ook nog opvang of school, hoewel de tijd die daaraan besteed is, niet gemeten is. Voor de meeste kinderen zal dus gelden dat zij allerlei gelegenheden hebben om contacten met andere kinderen of volwassenen op te doen, creatief bezig te zijn, of tot rust te komen, naast allerlei indrukken op te doen via beeldschermen. In de huidige tijden met allerlei beperkende maatregelen op contacten en bewegingsvrijheid voor zowel kinderen als hun ouders is de kans op meer schermgebruik ten opzichte van non-beeldschermactiviteiten echter wel groter, en dus reden voor extra alertheid.
Eveneens geruststellend is dat problemen in de ontwikkeling van jonge kinderen volgens de ouders relatief weinig voorkomen. Ouders hebben nog het meest te maken met eetproblemen die in principe een normaal onderdeel van het opgroeien vormen en normaliter ook weer voorbijgaan. Andere problemen als zorgen over vervelend gedrag, emoties als angst of eenkennigheid, gezondheid en persoonlijke hygiëne, of met slecht slapen, komen aanzienlijk minder vaak voor. Hooguit 7 procent van de ouders had regelmatig te maken met zulke problemen in hun opvoedsituatie. Ook hier geldt dat de beperkende coronamaatregelen meer onzekerheid voor zowel ouders als kinderen opleveren, wat zou kunnen leiden tot meer ontwikkelingsproblemen bij de huidige generatie jonge kinderen.
De problemen die kinderen kunnen hebben in hun ontwikkeling hangen alle direct en systematisch samen met weinig slapen of weinig beweging en met veelvuldig schermgebruik. Met name het gebruik van interactieve media (videospelletjes, communiceren) op jonge leeftijd gaat met meer problemen in de ontwikkeling gepaard. De bevindingen bevestigen dus eerder onderzoek naar de samenhang tussen beeldschermgebruik en gezond opgroeien bij kinderen.
Lockdown is reden om extra alert te zijn op de gevolgen
Veel tijd aan schermmedia besteden, dat wil zeggen meer dan internationale richtlijnen voorschrijven, hoeft echter op zich niet problematisch te zijn. Pas wanneer kinderen naast overmatig mediagebruik ook te weinig buiten beweging en/of te weinig slaap hebben volgens (internationale) richtlijnen, lijkt het erop dat opvoedproblemen en ontwikkelingsproblemen op het gebied van gezondheid, slaap en emoties een serieus risico zijn. De groep jonge kinderen bij wie dit speelt is relatief klein, maar in absolute zin gaat het wel om heel veel gezinnen.
Op basis van de gevonden patronen in de data kan niet geconcludeerd worden dat de tijd die jonge kinderen besteden aan beeldschermen de oorzaak is van ontwikkelingsproblemen. Maar er is wel een samenhang, die dus vooral problematisch lijkt als dat mediagebruik niet in balans is met slapen en buiten actief zijn, wat vooral optreedt bij ouders die moeite hebben met opvoeden. Misschien worden media juist door die ouders ingezet om de problemen van kinderen en hun eigen opvoedlast te verlichten. Adviezen die zijn gericht op mediawijs schermgebruik voor ouders van jonge kinderen moeten daarom vooral oog hebben voor de manier waarop media mogelijk het slapen en buitenspelen bij jonge kinderen in de weg zitten en tegelijkertijd voor de wijze waarop ouders beeldschermen minder kunnen inzetten als oppas en meer vertrouwen in hun eigen opvoedvaardigheden kunnen verwerven. Bovendien is het dan ook van belang dat de media-adviezen ingaan op het versterken van de consensus tussen beide ouders. Zolang beide ouders dezelfde regels en ideeën hebben voor het beeldschermgebruik van hun jonge kinderen, lijkt ‘teveel’ mediagebruik niet zo problematisch, mits de kinderen ook voldoende slapen en voldoende buiten beweging hebben.
over de auteur Prof. dr. Peter Nikken, is lector Jeugd & Media bij hogeschool Windesheim, specialist jeugd, media en opvoeding bij het Nederlands Jeugdinstituut, en bijzonder hoogleraar Mediaopvoeding aan de Erasmus School of History, Culture and Communication. Zijn focus ligt op mediavraagstukken die spelen in de dagelijkse praktijk van het opvoeden van zowel kinderen met, als kinderen zonder extra ondersteuningsbehoefte. E: p.nikken@windesheim.nl.

Literatuur

  • AAP Council. (2016). Media and young minds. Pediatrics, AAP News and Journals Council on Communications and Media. Beschikbaar via http://pediatrics.aappublications.org/content/early/2016/10/19/peds.2016-2591.
  • Bickham, D., Hswen, Y., Slaby, R., & Rich, M. (2018). A preliminary evaluation of a school-based media education and reduction intervention. The Journal of Primary Prevention, 39, 229-245.
  • Bozzola, E., Spina, G., Ruggiero, M., Memo, L., Agostiniani, R., Bozzola, M., … & Villani, A. (2018). Media devices in pre-school children: The recommendations of the Italian pediatric society. Italian Journal of Pediatrics, 44, 69.
  • Gezondheidsraad (2017). Beweegrichtlijnen 2017. Den Haag: Gezondheidsraad.
  • Jordan, A. (2019). The role of media in childhood obesity. In J. Bagchi (Ed.). Global perspectives on childhood obesity: Current status, consequences and prevention, pp. 421-428. Cambridge, MA: Academic Press.
  • Nathanson, A., & Beyens, I. (2018). The relation between use of mobile electronic devices and bedtime resistance, sleep duration, and daytime sleepiness among preschoolers. Behavioral Sleep Medicine, 16(2), 202-219.
  • National Sleep Foundation (2015). How much sleep do we really need? Arlington, VA: National Sleep Foundation.
  • Nikken, P. (2018). Parents’ instrumental use of media in childrearing: Relationships with confidence in parenting, and health and conduct problems in children, Journal of Child and Family Studies, 28(2), 531-546.
  • Nikken, P. (2019). Iene Miene Media: Review 2012-2018. Zwolle/Hilversum: Hogeschool Windesheim/Netwerk Mediawijsheid.
  • Rooij, A. van, & Kleinjan, M. (2020). Gezond leven in een digitale wereld: Positie paper Trimbos-instituut & Netwerk Mediawijsheid. Utrecht/Hilversum: Trimbos-instituut/Netwerk Mediawijsheid.
  • Tomporowski, P., McCullick, B., Pendleton, D., & Pesce, C. (2015). Exercise and children’s cognition: the role of exercise characteristics and a place for metacognition. Journal of Sport and Health Science, 4(1), 47-55.
  • WHO (2019). WHO Guidelines on physical activity, sedentary behaviour and sleep for children under 5 years of age. Geneva, CH: World Health Organization.

1 REACTIE

  1. De resultaten uit deze grote studie en de relatieve geruststelling, die er uit lijkt te klinken, laten onverlet, dat de directe en indirecte invloed van het zitten (wat veel te vroeg wordt toegestaan) en het vooral het vele ingezakt zitten, doet op de biologische ontwikkelingsprocessen van de orgaansystemen niet naar ernst worden geschat. Die orgaansystemen zijn alle, juist ook het Centraal Zenuwstelsel en het brein, afhankelijk van zoveel mogelijk bewegen. Het afremmen van de natuurlijke bewegingsdrang vanaf bijna de geboorte door stoetjes, bankhangen, aandachtattractie door media is nog nimmer zo ernstig geweest als nu, nog versterkt door corona. In de klassieke orthopedie en opvoedkunde was dit verband bekend en gevreesd.
    Het onlangs vrijkomen van onderzoek uit het Generation R project Erasmus MC , waarbij op zo’n 550 MRI’s van 9-jarige (!) kinderen al in 73% een tussenwervelschijf van matige kwaliteit gevonden werd betekent een omineus teken voor de duurzame gezondheid van het steun- en bewegingsapparaat. Ook bij onderzoek door de Sportbonden en de Onderwijsinspectie is de grote achterstand in motorische ontwikkeling bij 5-7 jarigen geen fijn vooruitzicht voor later.
    De foto bij het artikel is ook voor dit orthopedisch betoog illustratief.