Een van mijn cliënten was nog maar een kleuter toen op haar school het verhaal rondging dat spinnen ‘s nachts je mond in kunnen kruipen. Vanaf dat moment deed ze elke avond het licht aan om het plafond te controleren op spinnen, werd ze 's nachts regelmatig wakker en bouwde ze zodoende een flink slaaptekort op.
Jaren later, als tiener, vroeg ze mij om hulp. We deden exposure, met echte spinnen. Wat ik haar niet vertelde: ik vond grote spinnen zelf ook behoorlijk eng. Dat mocht natuurlijk niet te zien zijn. Uiteindelijk was zij dapperder dan ik bij het weghalen van een grote spin van de muur. En dat is precies waar dit nummer over gaat.
Exposure is de gouden standaard bij de behandeling van angststoornissen. Dat weten we. De wetenschappelijke onderbouwing is stevig, de effecten zijn indrukwekkend, en de richtlijnen zijn helder: hoe meer tijd aan exposure wordt besteed, des te beter de behandeluitkomsten. En toch: in de Nederlandse praktijk wordt exposure bij kinderen en jongeren met angstklachten in slechts de helft van de behandelingen daadwerkelijk ingezet. Van alle CGT-interventies zijn behandelaren het minst geneigd juist deze techniek toe te passen.
Dat roept de vraag op: wat weerhoudt ons eigenlijk?
In dit nummer bieden twee auteurs (beiden redacteur van KAP) vanuit verschillende invalshoeken een antwoord. Tamara Luijer beschrijft in haar artikel op pagina 22 van dit nummer hoe negatieve overtuigingen bij de behandelaar ‘Exposure is schadelijk voor het kind’, ‘Het schaadt de werkrelatie’ in de praktijk leiden tot wat zij ‘exposafobie’ noemt. Opvallend genoeg blijken therapeuten de verdraagbaarheid van exposure consequent negatiever in te schatten dan de cliënten zelf. Kinderen kunnen het vaak beter aan dan wij denken.
Gertjan van Hinsberg voegt daar een andere laag aan toe in de rubriek Frictie op pagina 44. Exposure is noodzakelijk om te leren, betoogt hij, maar staat nooit op zichzelf. Wat er omheen moet bestaan, is een veilige therapeutische relatie. Blootstelling aan angst puur omwille van de blootstelling heeft weinig waarde. De crux is dat de cliënt het vertrouwen opbouwt dat hij er nooit alleen voor staat en hij in staat is zijn angst te hanteren. Het tegenovergestelde van angst is dan ook niet moed, maar vertrouwen.
Beide perspectieven vullen elkaar aan. Tamara Luijer biedt praktische handvatten voor de behandelaar die zichzelf wil uitdagen. Gertjan Hinsberg herinnert ons aan de therapeutische context die dat alles mogelijk maakt: exposure als gezamenlijk leerproces vanuit verbinding.
Door recente inzichten verschuift de focus van angstreductie tijdens de sessie naar het opbouwen van een sterk, toegankelijk veiligheidsgeheugen dat in het dagelijks leven kan worden geactiveerd. Niet de daling van spanning tijdens de oefening is de graadmeter voor succes, maar de vraag of de gevreesde uitkomst wordt getoetst en de verwachting wordt bijgesteld. Dat vraagt van ons als behandelaren moed, of liever: vertrouwen. Vertrouwen in de aanpak, vertrouwen in de cliënt, en vertrouwen in onszelf.
Dit nummer nodigt je uit dat vertrouwen te onderzoeken.
Over de auteur
Annemarie de Leng is hoofdredacteur van Kind en Adolescent Praktijk en psycholoog bij DC-klinieken.

