Informele steun is geen aanvulling op professionele hulp. Het is andersom: professionele hulp zou een aanvulling moeten zijn. En dan liefst minimaal.
Wij mensen zijn sociale wezens. Steun van andere mensen is van levensbelang voor ons en maakt een belangrijk deel uit van ons dagelijks leven. Ook voor kinderen is deze sociale steun, ook wel informele steun genoemd, van groot belang. Het Nederlands Jeugdinstituut omschrijft sociale steun als de steun die kinderen, jongeren en ouders krijgen van mensen in hun omgeving. Deze steun heeft een positieve invloed op het opgroeien van kinderen. Informele steun is persoonlijk, vrijwillig en nabij; ze wordt gegeven door onder andere ouders, familie, vrienden, klas- of studiegenootjes, collega’s, peers, vrijwilligers, pleegouders en mantelzorgers. Informele steun hoort bij het dagelijks leven, zoals een opa die komt oppassen of wanneer je even een kop koffie drinkt bij de buren. Soms is het nodig om informele steun te organiseren, bijvoorbeeld als er in de omgeving van een kind, jongere of gezin geen steunfiguur beschikbaar is. Er zijn vele vormen van georganiseerde informele steun beschikbaar, denk aan maatjes- en mentorprojecten voor kinderen en jongeren, Villa Pinedo voor kinderen en ouders die te maken krijgen met een scheiding, Buurtgezinnen voor gezinnen die steun van een ander gezin kunnen gebruiken, Kamers met Aandacht voor jongeren die de jeugdzorg verlaten en inloophuizen voor jongeren met mentale problemen (zie voor meer vormen alliantieinformelesteun.nl).
Als kinderen, jongeren, ouders en gezinnen met hulpverlening te maken krijgen, gebeurt er vaak iets geks. Hulpverleners richten zich op de problemen die kinderen en ouders ervaren en gaan aan de slag. Ze vragen wat er aan de hand is, bedenken welke hulp nodig is en regelen dat die kan worden ingezet. En dat is vrijwel altijd professionele hulp. De bestaande steunbronnen in de omgeving van de cliënt komen daarbij niet in beeld. Hulpverleners vragen er meestal niet naar; sterker nog: professionals nemen nogal eens de plaats van informele steunfiguren in. De mensen die er zijn, verdwijnen daarmee naar de achtergrond; de jongere of het gezin krijgt eerst hulp.
Uit het onderzoek Betrek mij gewoon! kwam naar voren dat veel van de geïnterviewde jongeren steun krijgen van mensen in hun omgeving. En dat hulpverleners in lang niet alle gevallen contact hebben met deze steunfiguren (Spijk-de Jong et al., 2022). Terwijl ze elkaar zo goed zouden kunnen aanvullen. Zo is er geen vanzelfsprekendheid om voorafgaand aan een eerste gesprek of een intake aan een ouder of een jongere te vragen: wie komt er met je mee? Wel hebben hulpverleners de afgelopen jaren geleerd het netwerk ‘in kaart’ te brengen. Daar zijn ook allerlei schema’s en hulpmiddelen voor ontwikkeld. Maar voor wie doen ze dat? Alsof jongeren en ouders niet weten wie er voor hen belangrijk zijn, aan wie ze wat hebben. Vervolgens gaan hulpverleners het netwerk ‘betrekken’ of ‘inschakelen’. Ook deze woorden doen tekort aan het vanzelfsprekende van informele steunfiguren. Die zijn er al, die hoeven niet te worden ingeschakeld, of betrokken. Eerder moeten wij als hulpverleners er oog voor ontwikkelen dat deze mensen er zijn, vrijwel altijd, en welke rol en betekenis ze hebben voor de kinderen en ouders met wie we in verbinding treden. En zorgen dat we op deze mensen afstemmen en de relaties die er zijn niet verstoren of onder druk zetten.
‘Wie’ gaat voor ‘wat’
Bij onderzoeken naar incidenten en calamiteiten is de eerste conclusie vrijwel altijd dat er niet goed is samengewerkt tussen de hulpverleners. Of, zoals een collega het pakkend samenvatte: ‘Samenwerken, al honderd jaar aanbevolen!’ Dat is dus nog niet zo eenvoudig. Visies verschillen, onduidelijk is wie welke taak heeft, er wordt niet goed gecommuniceerd – we kennen het lijstje intussen.
Van belang is dat we gelijkwaardig gaan samenwerken met kinderen, ouders en de mensen om hen heen. De Ruig en Van Dam (2020) ontwikkelden hiervoor een visie op circulaire zorg, waarbij oorzaak en gevolg niet altijd van elkaar te scheiden zijn, maar binnen interacties door elkaar heen lopen. Samenwerken is in deze visie relationeel. Het klinkt intussen bijna als een cliché, maar relationeel gaat over in verbinding zijn met elkaar, aandacht hebben voor elkaar en de bereidheid in de relatie te investeren, hoe ongemakkelijk en lastig dat soms ook is. Je moet ervoor bereid zijn zonder oordeel te luisteren naar een ander, bijvoorbeeld. En écht willen begrijpen wat de ander bezighoudt. Het gaat om het daadwerkelijk samen vormgeven van de interacties, zowel die tussen gezinsleden, als tussen gezinsleden en hulpverleners, en tussen hulpverleners onderling. De inzet van de hulpverlener is bovendien duurzaam, gericht op de langere termijn. De vraag zou moeten zijn: is mijn inzet erop gericht dat de gezinsleden samen met de mensen om hen heen weer verder kunnen? En: is mijn inzet zo minimaal mogelijk, vul ik slechts aan waar dat nodig en wenselijk is? Immers, op een heel leven van kinderen en ouders blijven hulpverleners passanten, hun aanwezigheid is altijd tijdelijk.
Het netwerk ‘in kaart’? Voor wie eigenlijk?
Samenwerken met kinderen, ouders en hun informele netwerk vergt van hulpverleners een basishouding waarbij ze vanuit gelijkwaardigheid blijven denken, erkenning geven aan ieders expertise, rol en bijdrage, voortdurend de blik richten op de onderlinge interacties en kijken of die nog goed lopen, telkens checken bij de anderen of dat zo is en het ongemak dat daarbij onvermijdelijk komt kijken te verdragen. Oók als je iets moet benoemen waar de ander niet graag over praat. Of als de emoties van een jongere en zijn ouders torenhoog oplopen.
Wat helpt is altijd de ‘wie’ voor de ‘wat’ te stellen. Als een hulpverlener begint met vragen wie in iemands omgeving het belangrijk vindt dat het goed gaat met de kinderen en ouders, wie ze vertrouwen, wie ze als eerste appen na het gesprek, dan ligt er meteen een basis voor samenwerking waarbij ieders kennis en ervaring op de juiste waarde wordt geschat en iedereen de rol neemt en krijgt die hem of haar past.
Literatuur
-
Spijk-de Jonge, M., Lange, M. de, Serra, M., Van der Steege, M., Dijkshoorn, P. (2022). Betrek mij gewoon. Op zoek naar verbeterkansen voor de jeugdhulp in het casusonderzoek Ketenbreed Leren. Assen/Groningen: Accare.
-
Ruig, Suzanne de, Dam Levi van (2020). Circulaire zorg. Van JIM-aanpak naar een nieuwe kijk op jeugdhulpverlening. Amsterdam: Boom.
Over de auteurs
Drs. M.I. de Lange en drs. M. van der Steege zijn beiden orthopedagoog en zelfstandig adviseur in de jeugdhulp.

