Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Veertig procent en de Transdiagnostische Benadering

In deze rubriek buigt Else de Haan zich over wetenschappelijke publicaties die van betekenis zijn voor de praktijk. Hoe is het onderzoek uitgevoerd en wat zeggen de resultaten? En: is nader onderzoek gewenst?
Foto: Aleid Denier van der Gon
Premium

We hebben evidencebased (EB) behandelingen voor angststoornissen. Beter dan niets doen, beter dan alleen pillen geven en beter dan alleen praten. Lange tijd was dit de belangrijkste en trotse boodschap van onderzoekers.

Iedereen die in de klinische praktijk kinderen met een angststoornis behandelt, weet dat werkelijkheid weerbarstiger is. Uit een onlangs gepubliceerde meta-analyse naar het effect van de behandeling van angststoornissen blijkt dat ruim zestig procent van de kinderen na behandeling geen angststoornis meer heeft (Warwick e.a., 2017). Mooi, maar die veertig procent dan? Lange tijd is daar nauwelijks aandacht voor geweest. Daarin komt nu verandering. Behandelaren en onderzoekers vragen zich af hoe ze de behandeling kunnen verbeteren, zodat meer kinderen er baat bij hebben. Intensieve therapie, internettherapie of blended therapie, cognitive bias modificatie zijn voorbeelden hiervan.

Vorig jaar verscheen het Journal of Anxiety Disorders (2017) met een special over weer een andere manier om de effectiviteit te verbeteren: de Transdiagnostische Benadering. Deze is ontstaan uit onvrede over het systeem van de DSM en de daarop gebaseerde behandelingen. Aan de ene kant zijn er grote overeenkomsten tussen de verschillende stoornissen van de DSM, wat gemeenschappelijke kerndisfuncties doet vermoeden, en wat ook een verklaring zou kunnen zijn voor het grote aantal comorbide stoornissen. Aan de andere kant doet het DSM-systeem geen recht aan verschillen die er bestaan binnen stoornissen, of zijn er problemen die binnen geen enkele DSM-stoornis passen, waardoor informatie verloren gaat. We moeten daarom geen DSM-geclassificeerde stoornissen behandelen, maar disfuncties, die veel stoornissen gemeen hebben, maar die ook weer kunnen verschillen binnen een DSM-stoornis, aldus de Transdiagnostische Benadering. Voorbeelden van die disfuncties zijn het niet verdragen van onzekerheid, vermijden, rumineren en ‘anxiety sensitivity’ (Meidlinger & Hope, 2017).

Interessant, maar de vraag is natuurlijk hoe dat idee is uitgewerkt. Lauren Marchette en John Weisz beschrijven in het Journal of Child Psychology and Psychiatry (2017) drie uitwerkingen van dit transdiagnostisch idee voor kinderen en of adolescenten: behandelen van de kerndisfuncties (core dysfunctions) die verschillende stoornissen gemeen hebben; toepassen van principes van verandering die voor verschillende stoornissen hetzelfde zijn (common elements) en een vereenvoudigde versie van dit laatste.

In het Unified Protocol for the treatment of emotional disorder in Adolescents (UP-A, Ehrenreich May e.a., 2017) worden kerndisfuncties behandeld. In dit protocol krijgen jongeren met een emotionele stoornis in 8-21 wekelijkse therapiesessies, zeven modules waaronder: leren anders te denken, exposure en vasthouden wat er bereikt is en

Premium

Wil je dit artikel lezen?

Neem Kind en Adolescent Praktijk een maand gratis op proef. Na een maand stopt het proefabonnement automatisch.


    Al abonnee? Log dan in