Een jonge vrouw van 22 die al jarenlang worstelt met suïcidale gedachten. Een meisje van 17 dat zichzelf beschadigt en meerdere keren is opgenomen. Een jongvolwassene met een geschiedenis van trauma, eetproblematiek en steeds terugkerende crisissen. Voor deze groep lijkt de reguliere ggz niet altijd een passend antwoord te hebben.
Volgens MIND gaat het vooral om jonge vrouwen tussen de 15 en 30 jaar met ernstige, meervoudige psychische problematiek. Vaak is sprake van persisterende suïcidaliteit en/of zelfbeschadiging. Trauma speelt bij veel van hen een belangrijke rol. Hoe langer passende hulp uitblijft, hoe groter het risico dat klachten zich verdiepen en het vertrouwen in de hulpverlening afneemt.
Wanneer behandeling onvoldoende werkt
De problematiek van deze jongeren is vaak complex. Verschillende klachten grijpen in elkaar en kunnen elkaar versterken. Een behandeling die voor de ene jongere effectief is, hoeft voor een andere jongere met vergelijkbare symptomen niet te werken. Juist daar lijkt een belangrijk knelpunt te zitten. MIND ontvangt steeds vaker signalen van jonge vrouwen voor wie bestaande behandelingen onvoldoende resultaat hebben. Tegelijkertijd worden zij soms geconfronteerd met een afbouw van de zorg.
Dat gebeurt onder meer vanuit het Autonomie Bevorderend Beleid. Dit beleid is erop gericht jongeren meer eigen regie te geven en afhankelijkheid van professionele hulp te verminderen. In principe kan dat een belangrijke stap richting herstel zijn. Maar de vraag is wat er gebeurt wanneer een jongere nog helemaal niet in staat is om die regie te dragen. Wanneer een verzoek om extra hulp of een opname vervolgens niet wordt gehonoreerd, kan de boodschap bij een kwetsbare jongere heel anders overkomen: je moet het nu zelf kunnen.
Autonomie vraagt om maatwerk
Daarmee raakt de discussie aan een ingewikkelde balans binnen de jeugd- en volwassen-ggz. Meer autonomie kan herstel bevorderen, maar autonomie betekent niet dat iemand er alleen voor moet staan. De vraag is dan ook niet óf jongeren meer regie moeten krijgen, maar wanneer, hoe en onder welke voorwaarden. MIND waarschuwde eind 2024 al voor situaties waarin het Autonomie Bevorderend Beleid volgens de organisatie op een schadelijke manier werd uitgevoerd. De patiëntenkoepel pleit daarom voor onderzoek naar de verschillende manieren waarop het beleid in de praktijk wordt toegepast. Welke aanpak helpt jongeren daadwerkelijk vooruit? En wanneer leidt het juist tot meer wanhoop, verlies van vertrouwen en escalatie?
Van zelfbeschadiging naar uitzichtloosheid
Een zorgwekkend signaal is volgens MIND dat sommige jonge vrouwen uiteindelijk naar steeds ingrijpender manieren zoeken om met hun lijden om te gaan. De organisatie ziet onder meer dat mensen een euthanasieverzoek overwegen of besluiten te stoppen met eten en drinken. Dat is geen discussie die alleen over euthanasie gaat. Het roept een fundamentelere vraag op: wat gebeurt er wanneer iemand ondraaglijk psychisch lijdt, maar de beschikbare behandelingen geen perspectief lijken te bieden?
Voor jongeren is die vraag extra indringend. Zij bevinden zich nog volop in ontwikkeling. Hun identiteit, relaties, opleiding en toekomstperspectief zijn nog in beweging. Tegelijkertijd kunnen jaren van ernstige psychische problemen een grote impact hebben op hun ontwikkeling en levensloop. Juist daarom is het van belang om niet te snel te concluderen dat iemand ‘uitbehandeld’ is wanneer een aantal bekende behandelmethoden onvoldoende effect heeft gehad.
Een groep die we nog onvoldoende kennen
Hoe groot de groep precies is, is volgens MIND niet bekend. De organisatie vermoedt dat het om enkele honderden jonge vrouwen gaat. Daarmee ontstaat een tweede probleem: er is nog onvoldoende zicht op wie deze jongeren precies zijn en wat maakt dat zij vastlopen binnen de bestaande zorg.
Meer onderzoek is daarom noodzakelijk. Niet alleen naar de omvang en kenmerken van deze groep, maar vooral naar de vraag welke interventies wél werken. Daarbij is het belangrijk om verder te kijken dan afzonderlijke diagnoses. Bij veel van deze jongeren komen verschillende problemen samen. Trauma, suïcidaliteit, zelfbeschadiging, eetproblematiek en problemen in relaties of emotieregulatie kunnen elkaar beïnvloeden. Een versnipperd behandelaanbod sluit daar niet altijd goed op aan.
Ook sociale media spelen een rol
In de discussie wordt daarnaast gewezen op de mogelijke invloed van sociale media. Jongeren delen op platforms als TikTok en andere online kanalen openlijk hun ervaringen met psychische problemen en zelfbeschadiging. Dat kan positief zijn: jongeren kunnen herkenning vinden, zich minder alleen voelen en gemakkelijker over hun problemen praten. Maar er zijn ook risico’s. Het voortdurend zien van content over suïcidaliteit, zelfbeschadiging of eetstoornissen kan bij kwetsbare jongeren negatieve effecten hebben. Ook kunnen bepaalde online gemeenschappen onbedoeld problematisch gedrag normaliseren of versterken. Sociale media zijn daarmee niet de oorzaak van het probleem, maar kunnen in sommige gevallen wel onderdeel worden van de dynamiek die klachten in stand houdt of versterkt.
Niet minder zorg, maar passende zorg
Voorstanders van een autonomiegericht beleid benadrukken dat langdurige intensieve zorg niet automatisch leidt tot herstel. Integendeel: jongeren kunnen juist sterker worden wanneer zij stap voor stap leren om zelf keuzes te maken en verantwoordelijkheid te nemen. Maar dat werkt alleen wanneer de ondersteuning aansluit bij wat iemand op dat moment aankan.
Voor patiëntenorganisaties ligt daar precies de zorg. Wanneer autonomie wordt vertaald naar het simpelweg verminderen van zorg, kan een kwetsbare jongere zich juist verlaten voelen. De discussie zou daarom niet moeten gaan over meer of minder zorg, maar over betere en passende zorg. Dat vraagt om maatwerk, continuïteit en een behandelrelatie waarin professionals én jongeren samen onderzoeken wat nodig is. En wanneer een behandeling niet werkt, zou de conclusie niet moeten zijn dat er niets meer mogelijk is, maar dat er opnieuw gekeken moet worden naar wat deze jongere nodig heeft.
MIND vraagt om landelijke regie
In haar brandbrief vraagt MIND de ministers om opdracht te geven tot meer onderzoek naar deze groep. Daarnaast wil de organisatie onderzoek naar het Autonomie Bevorderend Beleid: welke uitvoering werkt wel en welke niet? Ook vraagt MIND om landelijke regie op een integrale aanpak voor mensen die binnen de ggz geen passende behandeling vinden.
Dat is uiteindelijk misschien wel de belangrijkste vraag die deze brandbrief oproept: hoe zorgen we ervoor dat jongeren niet tussen de systemen vallen wanneer hun problematiek te complex blijkt voor het bestaande aanbod? Voor professionals in de jeugd- en volwassen-ggz betekent dit dat er niet alleen behoefte is aan nieuwe behandelmethoden, maar ook aan ruimte om werkelijk maatwerk te bieden. Aan kennis over complexe problematiek, aan continuïteit en aan een behandelrelatie waarin hoop en perspectief behouden blijven. Want juist wanneer een jongere zelf geen uitweg meer ziet, is het aan de zorg om te blijven zoeken naar wat wél mogelijk is.

