"Ik ben supertrots op dit boek." Caroline Braet hoeft er niet lang over na te denken wanneer gevraagd wordt naar de volledig herziene editie van het Handboek klinische ontwikkelingspsychologie. Het boek weerspiegelt de ontwikkeling van een vakgebied waaraan zij zelf ruim veertig jaar heeft gebouwd. Niet voor niets ontving Braet onlangs de Lifetime Achievement Award, de hoogste onderscheiding binnen haar vakgebied in België.
“Toen ik veertig jaar geleden afstudeerde, bestond de klinische ontwikkelingspsychologie eigenlijk nog niet,” vertelt ze. “Er was kinderpsychologie en er was klinische psychologie, maar de combinatie van die twee stond nog in de kinderschoenen. In de DSM werd bijvoorbeeld nauwelijks gesproken over depressie bij kinderen. Gedragsproblemen kregen alle aandacht.”
Twintig jaar geleden verscheen de eerste editie van het handboek, samen met Pierre Prins. Inmiddels is het vakgebied volwassen geworden. De nieuwe editie laat zien hoeveel de wetenschap én de praktijk sindsdien veranderd zijn.
Een vakgebied dat volwassen is geworden
Die veranderingen zijn terug te zien in vrijwel ieder hoofdstuk van het nieuwe handboek. Nieuwe thema’s als persoonlijkheidsproblematiek, hoogbegaafdheid, neurodiversiteit, gender- en seksuele diversiteit en de nieuwste inzichten rondom autisme hebben een volwaardige plaats gekregen. Maar ook binnen de bestaande domeinen is volgens Braet veel veranderd.
“Er zijn enorme stappen gezet in de neurobiologie, maar ook in ons begrip van de psychologische processen die een rol spelen bij de ontwikkeling van kinderen. We beschikken over veel betere meetinstrumenten en weten veel meer over de mechanismen achter problemen.”
Volgens Braet maakt juist die combinatie het boek waardevol. “Eigenlijk zou iedere psycholoog dit in huis moeten hebben. Niet alleen professionals die met kinderen werken, maar ook degenen die volwassenen behandelen. Want veel volwassenen zijn ouder, en dan is kennis over de ontwikkeling van kinderen minstens zo belangrijk.”
De generatie smartphone vraagt om een ander handboek
Niet alleen de wetenschap veranderde; ook de manier waarop studenten leren is volgens Braet ingrijpend veranderd. “De huidige generatie twintigers is de eerste generatie die volledig met smartphones is opgegroeid. Dat verandert de manier waarop zij informatie verwerken. Je merkt dat lange, compacte teksten minder goed werken.”
Dat betekende ook iets voor de opzet van het boek. “Je kunt niet meer honderden pagina’s met alleen maar tekst aanbieden. Daarom hebben we veel meer casussen, schema’s, illustraties en samenvattingen opgenomen. De uitgebreide wetenschappelijke verdieping staat grotendeels online. Zo blijft het boek toegankelijk, zonder dat de inhoud verloren gaat.”
Volgens Braet vraagt goed onderwijs tegenwoordig om een andere manier van kennis overdragen. “Als redacteur kun je dan gebruikmaken van je ervaring. Je weet wanneer een hoofdstuk nóg eenvoudiger kan worden uitgelegd of wanneer een casus helpt om theorie begrijpelijk te maken.”
Sociale media veranderen meer dan we denken
Een van de ontwikkelingen waar Braet zich zorgen over maakt, is de invloed van sociale media op de ontwikkeling van jongeren. “Ik denk dat we nog onvoldoende begrijpen wat de impact precies is.”
Vanuit haar eigen onderzoek naar emotieregulatie ziet ze een opvallende trend. “Jongeren praten tegenwoordig veel gemakkelijker over gevoelens. Maar tegelijkertijd zien we dat juist de complexere emotieregulatievaardigheden achteruitgaan.” Daarmee doelt ze op vaardigheden als stilstaan, nadenken en emoties bewust leren reguleren.
“Ik vermoed dat jongeren andere hersenfuncties ontwikkelen dan eerdere generaties, maar we weten nog onvoldoende welke dat precies zijn. Tegelijkertijd zie ik dat klassieke vaardigheden als aandacht, concentratie en diep leren onder druk staan en minder worden getraind. Dat merken we zelfs bij psychologiestudenten.”
Minder denken in labels
Een andere belangrijke ontwikkeling binnen de klinische ontwikkelingspsychologie is de verschuiving van classificeren naar begrijpen. “We bewegen steeds meer richting dimensioneel en transdiagnostisch denken.”
Volgens Braet blijven diagnoses belangrijk als gemeenschappelijke taal tussen professionals, maar mogen ze nooit het eindpunt zijn. “Een diagnose is eigenlijk alleen het topje van de ijsberg. Daaronder liggen de processen die werkelijk verklaren waarom een kind vastloopt: emoties, cognities, leerervaringen, stress en eerdere kwetsuren.”
Het handboek helpt professionals daarom niet alleen om problemen te herkennen, maar vooral om de onderliggende mechanismen systematisch in kaart te brengen.
Preventie begint veel eerder
Waar Braet de komende tien jaar de grootste kansen ziet? Zonder twijfel in preventie. “We weten inmiddels dat temperament een belangrijke rol speelt in de kwetsbaarheid van kinderen. Sommige kinderen zijn van nature gevoeliger voor afwijzing of stress. Die verschillen zouden we veel eerder moeten herkennen.”
Tijdens een groot onderzoeksproject werden duizenden Belgische kinderen gevolgd. Al vóór de coronapandemie bleek welke kinderen vanwege hun temperament extra kwetsbaar waren. Toen de pandemie uitbrak, ontwikkelde juist deze groep aanzienlijk vaker depressieve klachten. “Dat bevestigt hoe belangrijk vroegtijdige signalering is en hoeveel winst daar nog te behalen valt.”
Braet ziet daarbij ook kansen voor digitale ondersteuning. “Apps kunnen helpen om kinderen individueel te ondersteunen zonder dat ze gestigmatiseerd worden. Niet door kinderen uit de klas te halen, maar door iedereen dezelfde mogelijkheden te bieden, waarbij sommige kinderen simpelweg meer ondersteuning gebruiken.”
Daarnaast pleit zij voor langdurige opvolging van kinderen die eenmaal psychische problemen hebben gehad. “Veel kinderen houden een kwetsbaarheid. Zij zouden eigenlijk gedurende hun ontwikkeling recht moeten hebben op terugkommomenten, juist in belangrijke overgangsfasen.”
Wanneer is gedrag nog normaal?
Een vraag die ouders én professionals regelmatig bezighoudt, is wanneer gedrag nog past bij een normale ontwikkeling. Braet glimlacht: ”Eigenlijk houd ik niet van het woord ‘normaal’.”
Veel belangrijker vindt ze een andere vraag. Waarom gedraagt een kind zich zo? Volgens haar kiezen kinderen niet bewust voor lastig gedrag. “Er bestaan geen stoute kinderen. Gedrag is altijd een reactie op wat een kind heeft meegemaakt, geleerd of hoe een kind in elkaar zit. Het ontstaat altijd in wisselwerking tussen aanleg en omgeving.”
De kernvraag is daarom niet óf een kind lastig is, maar waarom het zich zo gedraagt. “Sommige kinderen zijn gevoeliger dan anderen. Soms past de omgeving niet goed bij een kind. Soms spelen opvoeding, school of eerdere ervaringen een rol. Dat vraagt om observeren, niet om oordelen.”
Professionele hulp is volgens haar pas nodig wanneer een kind zelf begint te lijden, vastloopt in het dagelijks functioneren of de aansluiting met zijn omgeving verliest. Daarbij draait het volgens haar vaak om de fit tussen kind en omgeving. “Soms past de omgeving simpelweg niet goed bij het temperament of de behoeften van een kind.”
Eén boodschap voor iedereen die met kinderen werkt
Aan het einde van het gesprek hoeft Braet niet lang na te denken over de belangrijkste boodschap die zij wil meegeven aan ouders, leerkrachten en hulpverleners. “Kinderen kiezen niet voor lastig gedrag.”
Volgens haar begint goede hulpverlening met nieuwsgierigheid. “In plaats van een kind te veroordelen of direct een label op te plakken, zouden we altijd eerst moeten vragen: wat is hier gebeurd? Waarom reageert dit kind op deze manier?”
Dat vraagt om mildheid én om professionele nieuwsgierigheid. “Pas als we bereid zijn echt te kijken naar het verhaal achter het gedrag, kunnen we kinderen helpen zich verder te ontwikkelen.”

De volledig herziene editie van het Handboek klinische ontwikkelingspsychologie , onder redactie van prof. dr. Caroline Braet, prof. dr. Susan Bögels, prof. dr. Peter Muris en prof. dr. Lien Goossens biedt een actueel overzicht van diagnostiek, behandeling en preventie van psychische problemen bij kinderen en jongeren. Naast klassieke thema’s besteedt deze editie uitgebreid aandacht aan nieuwe ontwikkelingen, waaronder neurodiversiteit, persoonlijkheidsproblematiek, gender- en seksuele diversiteit, emotieregulatie en preventie. Dankzij de vele casussen, schema’s en visuele overzichten is het handboek zowel geschikt voor studenten als voor professionals die werkzaam zijn in de jeugd-ggz, het onderwijs en de jeugdhulp.

