Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Uithuisplaatsing verminderen? Heb compassie voor ouders – én voor de professional

De nogal ‘oudervijandige' houding in onze samenleving helpt niet om het aantal uithuisplaatsingen te verminderen. Het begint bij een beter begrip van de interactie tussen ouder en kind.
© SewcreamStudio / Stock.adobe.com
Een van de grote jeugdzorgvraagstukken van de afgelopen vijfentwintig jaar is hoe we ervoor zorgen dat meer kinderen blijvend thuis opgroeien. In beleidstaal klinkt dan de roep om meer integrale samenwerking. Het gaat veel minder over de grondhouding van professionals tegenover ouders. Terwijl die grondhouding weleens een belangrijk verschil kan maken in het verminderen van uithuisplaatsingen.
Onze samenleving heeft best een ‘oudervijandige’ houding. Als een kind in een supermarkt een driftbui krijgt, hebben omstanders al snel hun mening klaar over het kind, én de ouder. In de media kunnen ouders weinig goed doen. Ze worden weggezet als overbeschermende curlingouders of als grenzeloos, maar krijgen zelden positieve aandacht. Ook in de jeugdzorgpraktijk leeft de collectieve overtuiging dat wanneer er problemen zijn met kinderen, we vooral met ouders aan de slag moeten. Deze grondhouding is zelden helpend voor kinderen en hun ouders.
Uithuisplaatsing terugdringen, vraagt wellicht niet zozeer het inrichten van anderen structuren, maar aandacht voor een grondhouding waarbij we de onderlinge interacties tussen ouders en kinderen beter proberen te begrijpen en we werken vanuit compassie en mildheid.
Oordelen over ouders is overigens van alle tijden. In de jaren zestig van de vorige eeuw wezen professionals bij kinderen met autisme naar hun moeders. Dat zouden ‘ijskastmoeders’ zijn (Van Bockel, 2009). Door hun kalme, ‘emotieloze’ manier van reageren op hun kind, zouden deze kinderen autisme ontwikkelen. Dat deze moeders juist enorm sensitief op hun kinderen reageerden en kalm bleven om ontregeling bij hun kinderen te voorkomen, werd veel minder gezien. Tegenwoordig krijgen deze ouders regelmatig het verwijt overbeschermend of zelfs symbiotisch te zijn, terwijl zij topsport bedrijven door voortdurend zo goed mogelijk af te stemmen op de behoeften van hun kind, zodat dit zich optimaal kan ontwikkelen. Jeugdprofessionals hebben kennelijk de neiging verklaringen voor het gedrag van kinderen eenzijdig bij ouders te zoeken, zonder oog te hebben voor het transactionele karakter van gedrag: ouders en hun kinderen reageren voortdurend op elkaar en daarbij is geen schuldige aan te wijzen. Bovendien gaan we daarmee voorbij aan verklaringen in de verdere omgeving van het kind.
Bij de verklaring voor angst bij kinderen gebeurt dit ook. Wanneer ouders angstige situaties voor hun kind vermijden om zo paniek bij hun kind te voorkomen, wordt dat door professionals gezien als onvoldoende adequaat ouderschap. Regelmatig krijgen ouders vervolgens opvoedondersteuning, terwijl het op basis van wetenschappelijk onderzoek de voorkeur heeft het individuele kind te helpen zijn angst te overwinnen. Psycho-educatie aan ouders is nodig, maar opvoedondersteuning is een minder effectieve aanpak van angst. Wanneer het kind heeft geleerd zijn angst te overwinnen, verdwijnt in veel gevallen de vermijding door ouders vanzelf (Keuzehulp Jeugd en Gezin, deel III).

‘Moeilijke’ ouders

Als we dit bespreken met jeugdprofessionals krijgen we als reactie dat er toch ook moeilijke ouders bestaan. Ouders die hun kind mishandelen, ouders die roepen dat hun kind het huis uit moet of tekortschieten door eigen psychische problemen. Professionals vinden dat dat in het belang van het kind óók helder moet zijn. En dat klopt. Maar in de meeste situaties is het niet zo zwart-wit. Ouders zijn niet volledig ongeschikt voor hun opvoedtaak, maar kunnen sommige aspecten wel goed uitvoeren en andere nog niet of minder goed. Ook ontstaat kindermishandeling nogal eens doordat ouders onmacht ervaren in de omgang met specifiek gedrag van hun kind. Door ouders over de hele linie te diskwalificeren, verlies je als professional de connectie met deze ouders (Netwerk Beter Samen, 2025), waardoor problemen toenemen en het risico op uithuisplaatsing groter wordt.
Hoe ontstaan deze negatieve ouderoordelen? Soms doordat professionals vanuit een groot hart begaan zijn met de kinderen van deze ouders. Dat kan omslaan in een misplaatst verantwoordelijkheidsgevoel het kind te moeten redden. Het kan ook te maken hebben met eigen negatieve jeugdervaringen, waardoor ze sterker reageren op in hun ogen inadequaat opvoederschap. Wanneer de veiligheid van kinderen ter discussie staat, nemen de angst en stress bij professionals vaak toe, waardoor het ze minder goed lukt met een kalm brein overstijgend naar de gezinssituatie te kijken en hun eigen emoties te reguleren. Al deze redenen versterken het risico op het diskwalificeren van ouders. Niet omdat jeugdprofessionals zo slecht functioneren, maar omdat het ook gewoon mensen zijn.

Compassie, óók voor professional

Diskwalificatie voorkomen, vraagt compassie en mildheid. Allereerst voor ouders en hun kinderen. Als een kind ontploft als het door een ouder wordt begrensd, is het niet zo gek dat zijn ouders steeds minder grenzen aangeven. En wanneer een kind zo leert dat het zijn zin krijgt, is het ook niet zo gek dat het dit gedrag gaat herhalen. Dergelijke interacties kunnen leiden tot dwingende interactiepatronen. Dat is niet de schuld van ouders, maar vraagt ondersteuning om dit patroon te doorbreken. Compassie ontstaat door steeds beter te begrijpen waarom een kind en ouder doen wat ze doen en daarbij te erkennen dat het begrijpelijk is dat ze zich zo gedragen. Een ouder die verzucht dat zijn kind het huis maar uit moet, is een ouder die de wanhoop nabij is en te weinig erkenning heeft gekregen voor de opvoedzwaarte en alle pogingen het tij te keren. Een ouder met psychische problemen heeft belang bij een professional die oog heeft voor wat de ouder wél kan en daarnaast begrijpt dat bepaalde opvoedtaken extra zwaar zijn. Dat vraagt niet om diskwalificatie, maar om taakverlichting en extra steun aan ouders bij hun opvoeding, bijvoorbeeld in de vorm van steun uit het netwerk of door (tijdelijke) huishoudelijke ondersteuning.
Compassie en mildheid zijn niet alleen nodig voor ouders en kinderen, maar ook voor de professionals. Om te zorgen dat professionals compassie en mildheid kunnen blijven opbrengen, hebben zij methodisch ondersteuning nodig in het leren begrijpen van interactiepatronen en ruimte voor reflectie op hun handelen waarbij ze mild bevraagd worden op hun eigen triggers. Het vraagt daarnaast om ondersteuning bij het samen met ouders en jongeren leren dragen van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid. Daarmee voorkomen we diskwalificatie van ouders en onnodige uithuisplaatsingen.

Bronnen:

  • Bockel, J. van (2009).IJskastmoeders. Leven met een aspergerkind. Tielt: Lannoo.
  • Zie www.nji.nl voor de ‘Keuzehulp Jeugd en Gezin’, deel III, en www.netwerkbetersamen.nl voor de brochure ‘Zullen we connecten?’.

Over de auteurs

Drs. M. van der Steege en drs. M.I. de Lange zijn beiden orthopedagoog en zelfstandig adviseur in de jeugdhulp