Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Gezien en gelezen

Premium

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12454-017-0012-z/MediaObjects/12454_2017_12_Fig1_HTML.jpg

Marija Maric, Pier J. M. Prins, Thomas H. Ollendick (ed.), 2015
Oxford University Press
ISBN 978 01 99 36034 5
285 bladzijden
Prijs: € 62,57

De laatste decennia is veel onderzoek gedaan naar de effectiviteit van therapeutische interventies bij kinderen. Hierdoor zijn er inmiddels voor veel stoornissen evidencebased protocollen. Toch zijn de interventies over het algemeen voor slechts twee derde van de kinderen effectief. De klachten van ongeveer een derde van de kinderen nemen onvoldoende af nadat zij een evidencebased behandeling hebben gevolgd.

Het zou goed zijn als we wisten welke kinderen verbeteren met behulp van een bepaalde interventie en welke kinderen niet. Met andere woorden: wat zijn de moderators, voor wie is een interventie effectief en onder welke condities? Is de interventie effectiever bij oudere kinderen dan bij jongere? Of werkt die interventie beter met meer sessies per week dan met één sessie? Leeftijd of aantal sessies zijn in dit voorbeeld zogeheten moderators. Verder weten we wel welke interventies evidencebased zijn, maar weten we vaak niet waarom ze effectief zijn. Hoe werkt een interventie? Welk onderliggend proces maakt dat die werkt? Kortom, wat zijn de mediators van een interventie?

In het eerste hoofdstuk leggen de auteurs van Moderators and mediators of youth treatment outcomes uit wat moderators en mediators zijn. In de volgende hoofdstukken bespreken ze de stand van zaken in het onderzoek naar moderators en mediators bij verschillende diagnosen: angststoornissen, PTSS, ADHD, ASS, eetstoornissen et cetera. Sommige bevindingen zijn grappig.

In het hoofdstuk over angststoornissen staat dat kinderen tussen de acht en de twaalf jaar even goed van een CGT-behandeling profiteren als kinderen tussen de twaalf en de achttien jaar, vooral als de therapeuten het protocol aan het kind zelf mogen aanpassen. Zo zie je maar weer: protocollen zijn goed, maar kundige therapeuten maken ze beter.

Andere bevindingen zijn nuttig. Wat maakt de behandeling voor angststoornissen bij kinderen nu effectief: de cognitieve interventies of de exposure? De onderzoeksresultaten over exposure zijn eenduidig: uit verschillende onderzoeken blijkt dat angst en vermijding pas afnemen als met exposure wordt gewerkt, of dat de klachten sneller afnemen zodra exposure wordt toegepast. Kortom, exposure is bij de behandeling van angst een must. Belangrijk voor clinici om te weten. Over de cognitieve interventies zijn de onderzoeksresultaten minder eenduidig. De auteurs concluderen dat cognitieve veranderingen een belangrijk mechanisme lijken in de behandeling

Premium

Wil je dit artikel lezen?

Neem Kind en Adolescent Praktijk een maand gratis op proef. Na een maand stopt het proefabonnement automatisch.


    Al abonnee? Log dan in