Artikel bewaren

Je hebt een account nodig om artikelen in je profiel op te slaan

Login of Maak een account aan
Reacties0

Integraal werken? Focus op de uitvoerende hulpverleners

Avatar
Dr. Laura Nooteboom
Avatar
Dr. Eva Mulder
Avatar
Prof. dr. Chris Kuiper
Avatar
Prof. dr. Robert Vermeiren
Complexiteit van uitvoering te vaak over het hoofd gezien | In het streven naar een integrale aanpak in de zorg gaat teveel aandacht uit naar organisaties en beleid. En wordt nog te weinig rekening gehouden met de mensen om wie het gaat: uitvoerende hulpverleners en gezinnen. Zes concrete aanbevelingen voor verbetering.
Premium

 

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12454-021-0650-z/MediaObjects/12454_2021_650_Fig1_HTML.jpg
Deze afbeelding is illustratief. De afgebeelde personen zijn niet dezelfde als die in het artikel.
Foto: Aleid Denier van der Gon
Integraal werken geldt als het toverwoord om versnippering in hulpverlening tegen te gaan. Hierbij werken professionals uit verschillende disciplines en domeinen samen, zoals op het gebied van (specialistische) hulpverlening, onderwijs, sociaal domein en veiligheid en justitie. Uit internationaal onderzoek weten we dat een integrale aanpak kan leiden tot verhoogde kwaliteit van zorg en toenemende cliënttevredenheid (Baxter e.a., 2018; Cooper e.a., 2016). Om tot zo’n aanpak te komen, werd in Nederland de decentralisatie van zorg, werk en jeugdhulp ingevoerd. Zo trachtten gemeenten onder andere een aanpak op maat te organiseren in de directe leefomgeving van het gezin. De opmars van wijkteams (waaronder de jeugdteams, multidisciplinaire teams specifiek gericht op jeugd en gezin) was een van de gevolgen. Met wijkteams werken kan inderdaad leiden tot kortere lijnen tussen hulpverleners en een breder hulpverleningsaanbod dichtbij huis (Nooteboom e.a., 2020a). Maar tot grote frustratie van hulpverleners, gezinnen, gemeenten en organisaties blijven nog altijd veel problemen bestaan.
Een groep bij wie dat misschien wel het duidelijkst zichtbaar is, zijn gezinnen die kampen met meerdere complexe problemen op verschillende levensgebieden. Zij ontvangen vaak langdurige hulp en ondersteuning van een veelheid aan hulpverleners en organisaties. Hoewel het een relatief kleine groep is, zijn de problemen hardnekkig en is sprake van hoog zorggebruik (Van den Berg & De Baat, 2012). Hulp bieden aan deze gezinnen is vaak moeilijk. Dit komt enerzijds door de chroniciteit van hun problemen, en anderzijds door de crisisgevoeligheid en onvoorspelbaarheid van de problemen die elkaar ook weer beïnvloeden. Denk aan gezinnen waarbij zowel kind als ouder lijdt aan een psychische stoornis, in combinatie met problemen op het gebied van onderwijs, huisvesting en schulden. Veel van deze gezinnen hebben in eerdere hulverleningstrajecten negatieve ervaringen opgedaan. Bijvoorbeeld doordat betrokken hulpverleners elk vanuit hun eigen discipline werkten aan een deel van de hulpvragen van het gezin en goede samenwerking tussen de hulpverleners ontbrak. Hierdoor werden problemen niet in samenhang aangepakt en sloot hulp onvoldoende aan bij wat het gezin nodig had (Cooper e.a. 2016). Dit kon leiden tot doublures of juist omissies in het zorgaanbod, waardoor deze gezinnen uiteindelijk langer of intensievere hulp nodig hadden. De gang van zaken had niet alleen grote gevolgen voor het gezin en het vertrouwen in de hulpverlening, maar leidde ook vaak tot stress en een hoge werkdruk bij betrokken hulpverleners die deze gezinnen niet goed konden ondersteunen.
Met enkel ketenbrede ‘integrale teams’ ben je er niet
Uit de eerste evaluatie van de Jeugdwet die in 2015 in werking trad, blijkt dat gezinnen met ernstige en meervoudige problematiek nog steeds niet de passende en samenhangende hulp krijgen die zij zo hard nodig hebben(Friele, e.a., 2018). Het blijft voor hulpverleners en organisaties onduidelijk hoe zij tot een goede integrale aanpak kunnen komen in de praktijk. Zo hebben hulpverleners moeite om integraal werken in hun dagelijks werk te implementeren, wat zijn weerslag heeft op de kwaliteit van zorg voor gezinnen. Het is dus zowel voor gezinnen als voor hulpverleners belangrijk dat deze gezinnen beter ondersteund worden. Maar wat is daarvoor nodig? In dit artikel beschrijven we de uitkomsten van een wetenschappelijk onderzoek naar integraal werken voor jeugd en gezin in Nederland (Nooteboom e.a., 2020a).

De hulpverlener aan het woord

Integraal werken is een dynamisch en complex proces op grofweg drie niveaus. Allereerst is er het niveau van het individu en zijn naasten (in het geval van Jeugdhulp, het gezin) waarop de daadwerkelijke hulpverlening plaatsvindt. Hier gaat het onder andere om een holistische benadering van het gezinsfunctioneren, tijdige signalering van problemen op verschillende levensgebieden en het opstellen van een samenhangend plan. Het tweede is het niveau van hulpverleners, die onderling moeten samenwerken om tot een breed en samenhangend aanbod voor deze gezinnen te komen. Denk hierbij aan het organiseren van multidisciplinaire overleggen zoals 1Gezin1Plan-bijeenkomsten en het bieden van continuïteit van zorg. Het derde niveau is het niveau van organisaties en beleid, die middels samenwerkingsafspraken de juiste randvoorwaarden moeten bieden. Denk aan systemen voor het delen van informatie, financiële afspraken of het organiseren van multidisciplinaire samenwerkingsverbanden in de vorm van integrale teams.
Integrale aanpak vraagt om brede blik en maatwerk
Doordat er veel focus ligt op het derde niveau van integraal werken, het niveau van organisaties en beleid, wordt de complexiteit van de daadwerkelijke uitvoering van een integrale aanpak nog te vaak over het hoofd gezien: het niveau van hulpverleners en gezinnen. Het wordt steeds duidelijker dat er veel meer nodig is dan enkel het organiseren van integrale teams met vertegenwoordigers vanuit verschillende ketenpartners. Integraal werken vraagt om maatwerk, een brede blik op problematiek en het werken over de grenzen van de eigen expertise heen, samen met andere hulpverleners én het gezin. Om dit voor elkaar te krijgen, moet er veel meer aandacht zijn voor de uitvoerende hulpverleners in de praktijk.
Voor dit onderzoek interviewden we in 2017 in totaal 24 hulpverleners uit zes verschillende wijkteams in Holland Rijnland (Jeugd- en Gezinsteams) en Den Haag (Jeugdteams). De hulpverleners hadden verschillende expertises, waaronder op het gebied van sociaal werk, Infant Mental Health (IMH), licht verstandelijke beperking (LVB), ouderbegeleiding, specialistische geestelijke gezondheidszorg (sGGZ) en jeugdbescherming. De interviews waren semigestructureerd, waarbij de thema’s vooraf door het projectteam waren geformuleerd op basis van bestaande literatuur over integraal werken. Hulpverleners deelden in de interviews hun ervaringen met de eerste twee niveaus van integraal werken: integraal werken met gezinnen, in samenwerking met andere hulpverleners, zowel binnen hun eigen multidisciplinaire team als in de keten.
De interviews werden opgenomen en daarna getranscribeerd. Vervolgens zijn de transcripten gecodeerd in Atlas.Ti, een software programma voor kwalitatieve analyse. We maakten hierbij gebruik van de ‘framework approach’: de tekstfragmenten werden voorzien van een code (label) aan de hand van een lijst met vooraf opgestelde codes gebaseerd op bestaande literatuur. Daarnaast werden fragmenten die niet in het framework pasten, maar wel relevant waren voor het onderzoek, voorzien van een ‘open code’. De gecodeerde tekstfragmenten zijn vervolgens samengevoegd tot thema’s van bevorderende en belemmerende factoren. We beschrijven eerst algemene bevindingen en geven vervolgens per thema aan wat de bevorderende en belemmerende factoren zijn volgens hulpverleners. Deze resultaten leiden tot een zestal aanbevelingen voor praktijk, beleid en onderzoek.

Werkzame en belemmerende factoren

Uit de interviews met hulpverleners komt naar voren dat zij het werken met gezinnen met meerdere problemen uitdagend vinden, vooral omdat het vaak moeilijk is om flexibele ondersteuning op verschillende levensdomeinen te organiseren. Hoewel hier ook organisatorische randvoorwaarden aan ten grondslag liggen, zoals voldoende tijd voor hulpverleners om een integrale aanpak vorm te geven en samenhangende financiering, richten wij ons in dit artikel vooral op de bevorderende en belemmerende factoren op het niveau van de hulpverlening aan gezinnen en de hulpverleners. Deze factoren hebben we na analyse van de interviews onderverdeeld in zes overkoepelende thema’s.

1. Tijdig signaleren en breed benaderen vanproblematiek

Hulpverlener: “Integraal is natuurlijk een heel breed begrip. Het gaat erom dat je op verschillende gebieden kennis opdoet over het gezin, op verschillende niveaus van leven. Niveau van de familie en hoe zij in de context staan: de omgeving en de betrokkenen. Maar ook op het niveau van gezondheid, op het niveau van onveiligheid of veiligheid. Dat je daar dus kennis van opdoet en dat je ook op die fronten hulp inzet op momenten dat dat nodig is.”
Uit de interviews komt naar voren dat hulpverleners niet het gevoel hebben dat ze alle problemen van een gezin moeten oplossen. Het merendeel vindt wel dat ze in staat moeten zijn om de hulpvragen van gezinnen op verschillende levensgebieden te herkennen. Daarnaast vinden hulpverleners dat ze dan ook moeten weten hoe te handelen, bijvoorbeeld door tijdig andere hulpverleners met de benodigde expertise in te schakelen. Een belangrijk aandachtspunt voor een integrale aanpak is dat niet direct voor alle gesignaleerde problematiek hulp wordt ingezet, maar dat samen met het gezin prioriteiten worden gesteld. Hiervoor is het nodig dat er goed zicht is op zowel de problemen als de krachten en behoeften van een gezin. Dit goed in kaart brengen is een tijdrovend proces, volgens hulpverleners. Ook kan het breed uitvragen van problematiek en stellen van prioriteiten zwaar zijn voor gezinnen die bijvoorbeeld moeite hebben met het aangeven wat zij nodig hebben.

2. Multidisciplinaire expertise

Hulpverlener: “Ik ben geen expert in alle verschillende disciplines. Maar ik heb algemene kennis over de meeste gebieden van zorg als een generalist, en ik heb specialisten in mijn team die de rest weten.”
Hulpverleners vinden het belangrijk om met een brede blik problematiek te benaderen, maar moeten zich ook bewust zijn van de grenzen van de eigen expertise. Op die manier kan tijdig passende expertise worden ingeroepen. Het werken in multidisciplinaire wijkteams wordt gezien als bevorderende factor, vanwege de verschillende expertises die in de teams vertegenwoordigd zijn. Vooral tijdens casuïstiekbesprekingen kunnen hulpverleners veel van elkaar leren. Een hoge werkdruk en wachtlijsten bij hulpverleningsorganisaties kunnen maken dat hulpverleners casuïstiek oppakken die buiten hun eigen expertisegebied ligt, waardoor ze naar eigen zeggen niet de kwaliteit van hulp kunnen bieden die nodig is.

3. Continuïteit van zorg met aandacht voor flexibele inzet van hulp

Hulpverlener: “Dan denk je: nou, ik ben in drie gesprekken ver gekomen, veel succes, ik hoor het wel weer. Maar, als de veiligheid in het geding is, dan moet je daar wel weer iets mee. Moet je toch iets meer, ja, zoeken toch naar een ingang. Of erbij blijven of me even terugtrekken, toch contact houden of niet, dat is soms een beetje een dans.”
Gezinnen met meervoudige, complexe en langdurige problematiek hebben volgens hulpverleners baat bij flexibele inzet van specialistische hulp en laagdrempelige ondersteuning. De intensiteit van zorg moet kunnen wisselen, afhankelijk van de behoeften van een gezin. Om ervoor te zorgen dat er continuïteit ontstaat, moeten hulpverleners van verschillende organisaties elkaar kennen. Ook geven hulpverleners aan dat informatie gedeeld moet worden en een warme overdracht goed werkt bij de overgang van de ene naar de andere hulpverlener. Ook het coördineren van zorg vanuit één persoon is een bevorderend element dat vaak genoemd wordt. Continuïteit van zorg komt vaak in het geding doordat rollen en taken niet goed zijn afgestemd, of omdat onvoldoende rekening wordt gehouden met de veranderende behoeften van een gezin. Andere belemmeringen zijn wisselingen tussen hulpverleners, beperkte beschikbaarheid van hulpverleners en specifieke randvoorwaarden van organisaties om hulp te verlenen.
Zorg dat je niet alleen tijdig op-, maar ook afschaalt

4. Het toewijzen van passende hulp

Uit de interviews komen grofweg twee manieren van het toewijzen van passende hulp in een integraal hulpverleningsproces naar voren: ‘matched care’ en ‘stepped care’. Bij matched care gaat het om het afstemmen van ondersteuning op de individuele behoeften en kenmerken van een gezin. Het doel is om direct de juiste hulp en behandeling in te zetten, ongeacht de intensiteit. Bij stepped care is het ook het doel om gezinnen zo passend mogelijk te helpen, maar is sprake van een toenemende intensiteit van interventies, zogenaamde getrapte zorg. Er wordt gestart met de minst intensieve interventie als mogelijk, en waar nodig wordt opgeschaald middels vooraf opgestelde (‘evidencebased’) stappen. Hoewel matched en stepped care in principe twee verschillende concepten zijn, worden de benaderingen in de praktijk vaak door elkaar heen ingezet. Hulpverleners houden enerzijds zoveel mogelijk rekening met de individuele kenmerken en voorkeuren van een gezin. Anderzijds geeft het ook houvast om middels vooraf opgestelde stappen te werken. In beide gevallen is goede gezamenlijke besluitvorming en evaluatie van het hulpverleningsproces nodig. Hulpverleners benoemen dat dit in de praktijk nog onvoldoende gebeurt, en vaak ook moeilijk is vanwege de veelheid van problematiek en betrokken hulpverleners.

Een terugkerend thema als het gaat om het toewijzen van passende hulp is het tijdig op- en afschalen van zorg. Om hier samen met gezinnen goede beslissingen over te nemen is specifieke expertise nodig, volgens hulpverleners. Bevorderende factoren zijn onder andere het tijdig betrekken van het informele netwerk van gezinnen en het maken van een toekomstgericht plan. In het opschalen van hulp ervaren hulpverleners vooral belemmeringen in een gebrek aan beschikbare (specialistische) hulp door lange wachtlijsten. Wanneer het gaat over afschalen, noemen veel hulpverleners dat hier in de praktijk vaak nog te weinig aandacht voor is. Daardoor eindigen hulpverleningstrajecten te abrupt, of gaan ze juist te lang door. Ook speelt het verantwoordelijkheidsgevoel van hulpverleners mee in het te laat afschalen, omdat het moeilijk is om gezinnen waarbij risico is op terugval ‘los te laten’.

https://static-content.springer.com/image/art%3A10.1007%2Fs12454-021-0650-z/MediaObjects/12454_2021_650_Fig2_HTML.jpg
Deze afbeelding is illustratief. De afgebeelde personen zijn niet dezelfde als die in het artikel.
Foto: Aleid Denier van der Gon
Hulpverlener: “Ik vind dat niet het geld of de bepaalde duur voor iets centraal moet staan. Maar dat gewoon het gezin centraal moet staan. En zeker met het opschalen, denk ik van: nou ja, dat gaat wel redelijk. Maar ook het weer afbouwen, denk ik: er zou wel wat meer zorg voor mogen zijn voor zo’n traject. Soms wordt er zo abrupt ineens: nou, het gaat hartstikke goed, we doen nog een keer en dan is het klaar.”

5. Autonomie van hulpverleners

Autonomie van hulpverleners gaat over de vrijheid die hulpverleners in hun dagelijks werk ervaren om zorg te leveren op een manier waarvan zij denken dat nodig is. Enerzijds waarderen hulpverleners de vrijheid om hulp op maat te leveren, anderzijds vinden sommige hulpverleners dat er soms te veel autonomie is. Als gevolg daarvan zijn taken en verantwoordelijkheden van hulpverleners soms onduidelijk. Ook geven hulpverleners aan dat te veel autonomie ertoe leidt dat besluiten worden genomen op basis van intuïtie, waardoor onverklaarbare verschillen ontstaan in het type hulp dat gezinnen ontvangen. Het werken met richtlijnen en protocollen kan volgens hulpverleners enerzijds houvast geven, maar kan het gevoel van autonomie van hulpverleners ook verminderen.
Hulpverlener: “Want je hebt als professional ook gewoon je kaders nodig en dat je weet in welke situatie je wat kan doen. Wat op wetenschappelijk onderzoek gebaseerd is, dat werkend is in een bepaalde situatie. Het geeft ook veel vrijheid, maar die vrijheid kan ook een beetje spannend zijn.”

6. Evalueren met het gezin en andere hulpverleners

Het evalueren van een hulpverleningsproces met gezinnen zorgt volgens hulpverleners voor inzicht in behoeften van een gezin en een betere gedeelde besluitvorming. Daarnaast kan het evalueren van casuïstiek of de samenwerking met andere hulpverleners helpen om verschillende expertise en perspectieven in één plan te integreren en van elkaar te leren. Voor alle vormen van evalueren is het noodzakelijk dat er structureel zicht blijft op de voortgang van het hulpverleningsproces (monitoren). Hierin is het zowel belangrijk dat informatie wordt verzameld over de inhoud van hulp en samenwerking tussen hulpverleners, als over de veranderende problematiek en wensen van gezinnen. Volgens hulpverleners gebeurt dat in de praktijk nog onvoldoende. Ook is het belangrijk dat er een bepaalde structuur en diepgang is tijdens evaluaties. Dit kan volgens hulpverleners worden bereikt door een goede voorbereiding en het stellen van duidelijke doelen of intenties van een evaluatie.
Hulpverlener: “Op momenten dat het niet lekker loopt qua samenwerking, probeer ik daar wel over in gesprek te gaan. ‘Misschien is het wel handig als we even om de tafel gaan, als we even bellen om te kijken, wie doet wat nou en wat verwachten we van elkaar en wat kan je van elkaar verwachten?'”

Aanbevelingen voor praktijk en beleid

Hulpverleners benadrukken dat integraal werken met gezinnen met meervoudige problematiek complex is. Het is nodig om een flexibel hulpaanbod te organiseren, in samenwerking met partners door de hele keten van zorg, waarbij er gemakkelijk op- en afgeschaald kan worden. Hoewel het belangrijk is om goede samenwerkingsafspraken te maken, wordt ook uit de interviews met hulpverleners duidelijk dat er meer nodig is dan het organiseren hiervan.
Omdat de problemen van gezinnen vaak langdurig, onvoorspelbaar en samenhangend zijn, is het moeilijk om te bepalen welke hulp op welk moment ingezet moet worden.
Het is belangrijk om te beseffen dat er geen one size fits all aanpak bestaat om integraal te werken. Wel kan op basis van werkzame en belemmerende factoren uit dit onderzoek, een aantal generieke aanbevelingen worden geformuleerd.

Aanbeveling 1.Vergroot kennis over (potentiële) risicofactoren en (samenhangende) hulpvragen van gezinnen

Door meer zicht te krijgen op de risicofactoren en hulpvragen van gezinnen met meervoudige, complexe problematiek, wordt steeds duidelijker welke expertise en hulpaanbod nodig is om deze gezinnen goed te ondersteunen. Daarnaast kan meer kennis van de samenhang van problemen en hulpvragen, en meer kennis van risicofactoren zoals intergenerationele overdracht, hulpverleners helpen om samen met het gezin prioriteiten te stellen en hulp op maat te organiseren. Hiervoor is naast het verdiepen van wetenschappelijke kennis, ook voldoende tijd en aandacht nodig voor het diagnostisch proces in de praktijk.

Aanbeveling 2.Investeer in een ‘brede blik’

Om integraal te werken, moeten hulpverleners in staat zijn om potentiële risico’s en problemen tijdig te herkennen. Dit betekent niet dat ze direct verantwoordelijk zijn voor het oplossen van alle problemen, maar wel dat ze tijdig passende expertise moeten inroepen. Hiervoor hebben hulpverleners generalistische kennis nodig over een breed spectrum aan (gezins)problemen en risicofactoren. Het samenwerken in een multidisciplinair team is een belangrijk hulpmiddel om deze brede blik te realiseren. Door regelmatige casuïstiekbesprekingen kan gebruik worden gemaakt van de brede expertise van een team.

Aanbeveling 3.Herken de grenzen van de eigen expertise

Om tijdig andere expertise in te roepen, dienen hulpverleners zich bewust te zijn van de grenzen aan hun eigen expertise. Hiervoor is het nodig dat hulpverleners regelmatig reflecteren op het eigen handelen tijdens bijvoorbeeld multidisciplinaire intervisiemomenten. Deze reflectie helpt om eventuele blinde vlekken te herkennen en een lerende houding ten opzichte van andere disciplines te bewerkstelligen.
Flexibiliteit is vereiste, one size fits all-aanpak is er niet

Aanbeveling 4.Zorg dat er structureel zicht blijft op het hulpverleningsproces om tijdig op- en af te schalen

De voortgang van hulpverleningsprocessen moet structureel gemonitord en geëvalueerd worden met betrokken hulpverleners én het gezin, zodat tijdig passende hulp kan worden ingezet. Door te monitoren en te evalueren ontstaat meer zicht op de actuele hulpvragen van een gezin en verbetert de samenwerking tussen de betrokkenen in de hulpverlening. Het is hierin belangrijk dat evaluaties zich niet alleen richten op crisis en opschaling, maar ook op tijdige afschaling en inzet van het informele netwerk. Hiervoor is het nodig te investeren in voldoende tijd voor monitoring en een goede kwaliteit van evaluaties.

Aanbeveling 5.Stimuleer goed gebruik van bestaande richtlijnen

Hulpverleners hebben enerzijds behoefte aan structuur aan de hand van richtlijnen, anderzijds juist aan autonomie om hulp op maat te leveren. Te strikte of verkeerde toepassing van richtlijnen voelen als belemmerend, omdat de hulp hierdoor niet aansluit bij de behoeften van gezinnen. Het is daarom nodig om hulpverleners te begeleiden in de toepassing van bestaande én nieuwe richtlijnen, zodat zij zich meer bekwaam gaan voelen om de richtlijnen op maat toe te passen.

Aanbeveling 6.Integraal werken vraagt om samen leren en ontwikkelen

Omdat er geen eenduidige integrale aanpak bestaat die overal toepasbaar is, is het noodzakelijk te beseffen dat integraal werken iets is dat je al lerende met elkaar ontwikkelt. Hierin moeten beleid, praktijk, gezinnen en organisaties elkaar op lokaal niveau vinden. Dit betekent echter niet dat overal het wiel opnieuw moet worden uitgevonden. Goede voorbeelden zijn er in het hele land, en het is belangrijk om deze verschillende initiatieven met elkaar te verbinden, om zo kennisversnippering te voorkomen.

Conclusie

Concluderend kunnen we stellen dat integraal werken wordt gezien als de oplossing om versnippering van zorg tegen te gaan en een samenhangend hulpaanbod te organiseren voor gezinnen met meervoudige problematiek. We krijgen steeds meer zicht op bevorderende en belemmerende factoren van integraal werken, zowel vanuit het perspectief van hulpverleners, als vanuit het perspectief van gezinnen (Nooteboom e.a., 2020b) en dankzij internationale studies (Nooteboom e.a., 2020c). Integraal werken is een dynamisch en complex proces dat vraagt om maatwerk. Hiervoor is het nodig dat de focus verschuift van het organiseren van integrale samenwerking op organisatie- en beleidsniveau, naar de uitvoering van een integrale aanpak in de praktijk. Door verschillende initiatieven in de praktijk te volgen en te verbinden, komen we al lerend tot een integrale aanpak die leidt tot duurzame verbetering van de zorg voor jeugd en gezin.
Meer weten over praktijkvoorbeelden van integraal werken? Kijk op het platform Integraal Werken in de wijk (https://​www.​integraalwerkeni​ndewijk.​nl/​) of het Platform Integrale Specialistische Jeugdhulp van het Kenniscentrum Kinder- en Jeugdpsychiatrie (https://​www.​kenniscentrum-kjp.​nl/​professionals/​platform-integrale-specialistische-jeugdhulp/​).
over de auteurs Dr. L. Nooteboom, senior onderzoeker LUMC Curium, Academisch Centrum voor kinder- en jeugdpsychiatrie. Dr. E. Mulder, senior onderzoeker LUMC Curium en programmaleider Academische Werkplaats Risicojeugd. Prof. dr. C. Kuiper, lector Transformaties in de zorg voor jeugd, HS Leiden; bijzonder hoogleraar intergenerationele overdracht, UvA. Prof. dr. R. Vermeiren, hoogleraar kinder- en jeugdpsychiatrie, LUMC Curium & Youz, Parnassia Groep. E: .

Literatuur

  • Baxter, S., Johnson, M., Chambers, D., Sutton, A., Goyder, E., & Booth, A. (2018). The effects of integrated care: A systematic review of UK and international evidence. BMC Health Services Research, 18(1), 350.
  • van den Berg, G., & de Baat, M. (2012). Gezinnen met meervoudige problemen. In M. de Klerk, M. Prins, P. Verhaak & G. van den Berg (Eds.), Mensen met meervoudige problemen en hun zorggebruik (pp. 75-97). Den Haag: Raad voor de Volksgezondheid en Zorg.
  • Cooper, M., Evans, Y., & Pybis, J. (2016). Interagency collaboration in children and young people’s mental health: A systematic review of outcomes, facilitating factors and inhibiting factors. Child: Care, Health and Development, 42(3), 325-342.
  • Friele, R.D., Bruning, M.R., Bastiaanssen, I.L.W., de Boer, R., Bucx, A.J.E.H., & de Groot, J.F. (2018). Eerste evaluatie Jeugdwet. Den Haag: ZonMw. Beschikbaar via: https://​www.​rijksoverheid.​nl/​documenten/​rapporten/​2018/​01/​30/​rapport-eerste-evaluatie-jeugdwet. Geraadpleegd op 23 februari 2021.
  • Nooteboom, L.A., van den Driesschen, S.I., Kuiper, C., Vermeiren, R., & Mulder, E.A. (2020a). An integrated approach to meet the needs of high-vulnerable families: a qualitative study on integrated care from a professional perspective. Child and adolescent psychiatry and mental health, 14, 18.
  • Nooteboom, L.A., Kuiper, C.H.Z., Mulder, E., Roetman, P.J., Eilander, J., & Vermeiren, R.R.J.M. (2020b). What do parents expect in the 21st century? A qualitative analysis of integrated youth care. International Journal of Integrated Care, 20(3), 8.
  • Nooteboom, L.A., Mulder, E.A., Kuiper, C.H.Z., Colins, O.F., & Vermeiren, R.R.J.M. (2020c). Towards Integrated Youth Care: a systematic review of facilitators and barriers for professionals. Administration and policy in mental health and mental health services research. Doi: .
  • World Health Organization. (2016). Integrated care models: an overview. Beschikbaar via: https://​www.​euro.​who.​int/​en/​health-topics/​Health-systems/​health-services-delivery/​publications/​2016/​integrated-care-models-an-overview-2016. Geraadpleegd op 23 februari 2021.